Printvriendelijk afdrukken

zondag 4 oktober 2026

Heeft een slachtoffer het recht om te zeggen wat de dader verdient? Of enkel om te vertellen wat het misdrijf heeft aangericht?

Heeft een slachtoffer het recht om te zeggen wat de dader verdient? Of enkel om te vertellen wat het misdrijf heeft aangericht? Het verschil tussen die twee vragen bepaalt of we de rechtsstaat versterken of ondermijnen.



Volgens de post van Sanne De Clerck met de titel “Spreekrecht voor de burgerlijke partij in het debat over de straftoemeting op het Hof van assisen? kwam deze vraag onlangs ter sprake voor het Hof van Assisen, maar heeft “het Hof heeft onze vraag gisteren in een gemotiveerd tussenarrest afgewezen. Het debat aangaande de straf blijft uitsluitend toebehoren aan het Openbaar ministerie en de verdediging.”

https://lnkd.in/p/eQXbrV2N

U zal in het Belgisch Wetboek van Strafvordering geen bepaling vinden die letterlijk zegt: “de burgerlijke partij of het slachtoffer heeft geen inspraak in de strafmaat.”

De beperking volgt uit de wettelijke afbakening van de burgerlijke vordering tegenover de openbare vordering, én — specifiek voor assisen — uit de procesregeling die het strafdebat aan het openbaar ministerie en de verdediging voorbehoudt.

Het EHRM hanteert in essentie hetzelfde vertrekpunt: het EVRM verleent een slachtoffer geen zelfstandig recht om de vervolging, veroordeling of bestraffing van een derde te eisen, laat staan om zelf de straf te bepalen. Een slachtoffer kan wel EVRM-rechten hebben voor zijn of haar burgerlijke belangen of, bij ernstige aantastingen van onder meer artikelen 2, 3, 4 of 8 EVRM, aanspraak maken op een daadwerkelijk onderzoek en een doeltreffend beschermingskader.

https://rm.coe.int/council-of-europe-georgia-european-court-of-human-rights-case-study-vi/16807823c4

In een arrest van 10 september 2024 heeft het Hof van Cassatie zich als volgt uitgesproken over de burgerlijke partij en de strafmaat.

“De rechter bepaalt binnen de door de wet bepaalde grenzen onaantastbaar welke straffen en maatregelen en hun maat noodzakelijk zijn ter realisering van de doelstellingen die hij met de straftoemeting beoogt. Die doelstellingen kunnen onder meer bestaan in het uiten van de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade, het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader en de bescherming van de maatschappij.”
“Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter ter verantwoording voor de keuze en de maat van de uitgesproken straffen mede verwijst naar de veronderstelde verwachtingen van slachtoffers en hun familie op het vlak van bestraffing. Die kunnen immers worden gekaderd in de voormelde doelstellingen van de straftoemeting.”

https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.2/NL

De reden waarom deze beslissing m.i. subtiel of "dubbel" kan overkomen, ligt in het evenwicht dat het Hof bewaart tussen twee juridische principes:

  1. Geen eigen vorderingsrecht voor het slachtoffer: De burgerlijke partij krijgt geen formeel recht om een specifieke straf te eisen of te bepalen; de straftoemeting blijft de exclusieve en onaantastbare bevoegdheid van de rechter.
  2. Koppeling aan straftoemetingsdoelen: De rechter mag de verwachtingen van het slachtoffer niet zomaar als doorslaggevend argument gebruiken, maar enkel wanneer hij dit kadert in de algemene doelstellingen van de straftoemeting (zoals het uiten van maatschappelijke afkeuring, het herstel van het maatschappelijk evenwicht of herstel van de schade).

Je kan een hele reeks voor- en nadelen opsommen voor een spreekrecht voor de burgerlijke partij.

De eerste vraag daarbij is wat bedoeld wordt onder spreekrecht. Gaat het enkel over het toelichten van de gevolgen van het misdrijf voor het slachtoffer of gaat het ook over het mede bepalen van de strafmaat?

Mij komt een beperkt, strikt gereguleerd spreekrecht (ná de schuldverklaring bij het Hof van Assisen) een goed idee: het laat slachtoffers toe de reële gevolgen en hun veiligheids- of herstelbehoeften zichtbaar te maken, zonder hen te veranderen in een tweede openbaar ministerie.

Een recht van de burgerlijke partij om vrij te pleiten over de gewenste strafmaat lijk mij daarentegen allesbehalve een goede piste.

  • Ongelijke strafmaat naar gelang van het slachtoffer. Twee gelijkaardige feiten kunnen heel verschillend worden gepresenteerd door slachtoffers die verschillen in verbale vaardigheid, sociale steun, mediabelangstelling, emotionele uitdrukking of financiële middelen. Dat botst met het beginsel dat gelijke feiten zoveel mogelijk gelijk moeten worden bestraft.
  • Privatisering van de strafvordering. De straf is een antwoord van de staat op een schending van de rechtsorde. Als de wens van één slachtoffer richtinggevend wordt, dreigt de straf haar algemene, maatschappelijke functie te verliezen.
  • Emotionele druk en “populariteit” van slachtoffers. Bij mondelinge verklaringen kan de communicatieve kracht van een slachtoffer meer gewicht krijgen dan juridisch relevante omstandigheden. Nabestaanden van een mondige, goed vertegenwoordigde of sociaal gewaardeerde persoon kunnen dan feitelijk meer invloed hebben dan andere slachtoffers.
  • Secundaire victimisatie. Spreken in openbaarheid, in aanwezigheid van de beschuldigde of onder mediabelangstelling kan belastend zijn. Deelname moet altijd vrijwillig zijn, met steun, voorbereiding en veilige alternatieven zoals een schriftelijke verklaring, audiovisuele opname of tussenkomst door een advocaat.
  • Verwarring tussen schade en schuld. Bij assisen, vooral vóór de schuldvraag gevaarlijk: een aangrijpende uiteenzetting over gevolgen kan de jury psychologisch beïnvloeden bij haar beoordeling van feiten en daderschap.
  • Aantasting van tegenspraak. Zodra een slachtoffer verklaringselementen toevoegt die als strafverzwarend feit of als bewijs van schuld kunnen functioneren, moet de verdediging daar adequaat op kunnen antwoorden. Anders worden rechten van verdediging uitgehold.

Als de verwachtingen van slachtoffers een factor kunnen zijn bij de straftoemeting, dringt zich vroeg of laat de vraag op of zij daarover ook zelf — binnen duidelijke grenzen en zonder de straf te kunnen eisen — het woord moeten kunnen voeren. Het laatste woord over die vraag is duidelijk nog niet gevallen.

Een strikt gereguleerd spreekrecht beschermt tegelijk de waardigheid van het slachtoffer, de rechten van de verdediging en het publieke karakter van het strafrecht.