Heeft een slachtoffer het recht om te zeggen wat de dader verdient? Of enkel om te vertellen wat het misdrijf heeft aangericht? Het verschil tussen die twee vragen bepaalt of we de rechtsstaat versterken of ondermijnen.
Volgens de post van Sanne De Clerck met de titel “Spreekrecht
voor de burgerlijke partij in het debat over de straftoemeting op het Hof van
assisen? kwam deze vraag onlangs ter sprake voor het Hof van Assisen, maar
heeft “het Hof heeft onze vraag gisteren in een gemotiveerd tussenarrest
afgewezen. Het debat aangaande de straf blijft uitsluitend toebehoren aan het
Openbaar ministerie en de verdediging.”
https://lnkd.in/p/eQXbrV2N
U zal in het Belgisch Wetboek van Strafvordering geen
bepaling vinden die letterlijk zegt: “de burgerlijke partij of het
slachtoffer heeft geen inspraak in de strafmaat.”
De beperking volgt uit de wettelijke afbakening van de
burgerlijke vordering tegenover de openbare vordering, én —
specifiek voor assisen — uit de procesregeling die het strafdebat aan het
openbaar ministerie en de verdediging voorbehoudt.
Het EHRM hanteert in essentie hetzelfde vertrekpunt: het
EVRM verleent een slachtoffer geen zelfstandig recht om de vervolging,
veroordeling of bestraffing van een derde te eisen, laat staan om zelf de
straf te bepalen. Een slachtoffer kan wel EVRM-rechten hebben voor zijn of haar
burgerlijke belangen of, bij ernstige aantastingen van onder meer artikelen 2,
3, 4 of 8 EVRM, aanspraak maken op een daadwerkelijk onderzoek en een doeltreffend
beschermingskader.
https://rm.coe.int/council-of-europe-georgia-european-court-of-human-rights-case-study-vi/16807823c4
In een arrest van 10 september 2024 heeft het Hof van
Cassatie zich als volgt uitgesproken over de burgerlijke partij en de
strafmaat.
“De rechter bepaalt binnen de door de wet bepaalde
grenzen onaantastbaar welke straffen en maatregelen en hun maat noodzakelijk
zijn ter realisering van de doelstellingen die hij met de straftoemeting
beoogt. Die doelstellingen kunnen onder meer bestaan in het uiten van de
maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, het
bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en van het herstel
van de door het misdrijf veroorzaakte schade, het bevorderen van de maatschappelijke
rehabilitatie en re-integratie van de dader en de bescherming van de
maatschappij.”
“Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de
rechter ter verantwoording voor de keuze en de maat van de uitgesproken
straffen mede verwijst naar de veronderstelde verwachtingen van slachtoffers en
hun familie op het vlak van bestraffing. Die kunnen immers worden gekaderd in
de voormelde doelstellingen van de straftoemeting.”
https://juportal.be/content/ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.2/NL
De reden waarom deze beslissing m.i. subtiel of
"dubbel" kan overkomen, ligt in het evenwicht dat het Hof bewaart
tussen twee juridische principes:
- Geen
eigen vorderingsrecht voor het slachtoffer: De burgerlijke partij
krijgt geen formeel recht om een specifieke straf te eisen of te
bepalen; de straftoemeting blijft de exclusieve en onaantastbare
bevoegdheid van de rechter.
- Koppeling
aan straftoemetingsdoelen: De rechter mag de verwachtingen van het
slachtoffer niet zomaar als doorslaggevend argument gebruiken, maar enkel
wanneer hij dit kadert in de algemene doelstellingen van de straftoemeting
(zoals het uiten van maatschappelijke afkeuring, het herstel van het
maatschappelijk evenwicht of herstel van de schade).
Je kan een hele reeks voor- en nadelen opsommen voor een
spreekrecht voor de burgerlijke partij.
De eerste vraag daarbij is wat bedoeld wordt onder
spreekrecht. Gaat het enkel over het toelichten van de gevolgen van het
misdrijf voor het slachtoffer of gaat het ook over het mede bepalen van de
strafmaat?
Mij komt een beperkt, strikt gereguleerd spreekrecht (ná de
schuldverklaring bij het Hof van Assisen) een goed idee: het laat slachtoffers
toe de reële gevolgen en hun veiligheids- of herstelbehoeften zichtbaar te
maken, zonder hen te veranderen in een tweede openbaar ministerie.
Een recht van de burgerlijke partij om vrij te pleiten over
de gewenste strafmaat lijk mij daarentegen allesbehalve een goede piste.
- Ongelijke
strafmaat naar gelang van het slachtoffer. Twee gelijkaardige feiten
kunnen heel verschillend worden gepresenteerd door slachtoffers die
verschillen in verbale vaardigheid, sociale steun, mediabelangstelling,
emotionele uitdrukking of financiële middelen. Dat botst met het beginsel
dat gelijke feiten zoveel mogelijk gelijk moeten worden bestraft.
- Privatisering
van de strafvordering. De straf is een antwoord van de staat op een
schending van de rechtsorde. Als de wens van één slachtoffer
richtinggevend wordt, dreigt de straf haar algemene, maatschappelijke
functie te verliezen.
- Emotionele
druk en “populariteit” van slachtoffers. Bij mondelinge verklaringen
kan de communicatieve kracht van een slachtoffer meer gewicht krijgen dan
juridisch relevante omstandigheden. Nabestaanden van een mondige, goed
vertegenwoordigde of sociaal gewaardeerde persoon kunnen dan feitelijk
meer invloed hebben dan andere slachtoffers.
- Secundaire
victimisatie. Spreken in openbaarheid, in aanwezigheid van de
beschuldigde of onder mediabelangstelling kan belastend zijn. Deelname
moet altijd vrijwillig zijn, met steun, voorbereiding en veilige
alternatieven zoals een schriftelijke verklaring, audiovisuele opname of
tussenkomst door een advocaat.
- Verwarring
tussen schade en schuld. Bij assisen, vooral vóór de schuldvraag
gevaarlijk: een aangrijpende uiteenzetting over gevolgen kan de jury
psychologisch beïnvloeden bij haar beoordeling van feiten en daderschap.
- Aantasting
van tegenspraak. Zodra een slachtoffer verklaringselementen toevoegt
die als strafverzwarend feit of als bewijs van schuld kunnen functioneren,
moet de verdediging daar adequaat op kunnen antwoorden. Anders worden
rechten van verdediging uitgehold.
Als de verwachtingen van slachtoffers een factor kunnen zijn
bij de straftoemeting, dringt zich vroeg of laat de vraag op of zij daarover
ook zelf — binnen duidelijke grenzen en zonder de straf te kunnen eisen — het
woord moeten kunnen voeren. Het laatste woord over die vraag is duidelijk nog
niet gevallen.
Een strikt gereguleerd spreekrecht beschermt tegelijk de
waardigheid van het slachtoffer, de rechten van de verdediging en het publieke
karakter van het strafrecht.
