In het kort: waar gaat deze zaak over?
Een man werd door de strafrechter veroordeeld tot één
jaar cel omdat hij reed met een auto die geen geldig keuringsbewijs had.
Hij was het niet eens met die straf en stapte naar de hoogste Belgische
rechter, het Hof van Cassatie.
De man bracht twee klachten naar voren:
- Klacht
1: Hij vond dat de rechter had moeten verantwoorden waarom hij geen
alternatieve straf kreeg, zoals een enkelband (elektronisch toezicht) of
een proefperiode met voorwaarden (probatie).
- Klacht
2: In zijn officiële oproepingsbrief (dagvaarding) stond een verkeerde
datum bij een eerdere veroordeling. Hij vond dat zijn rechten daardoor
geschonden waren.
Wat heeft de hoogste rechter beslist?
1. Waarom hoefde de rechter een enkelband of probatie
niet uit te leggen?
- De
regel: De wet bepaalt dat een rechter iemand pas een enkelband of
probatiestraf mag geven als de beschuldigde daar vooraf uitdrukkelijk
toestemming voor geeft.
- Wat
gebeurde er: De man had tijdens de rechtszaak enkel gevraagd om een
werkstraf; hij had geen toestemming gegeven voor een enkelband of
probatiestraf.
- De
beslissing: Omdat hij die toestemming niet had gegeven, voldeed hij
niet aan de wettelijke voorwaarden. De rechter was dan ook niet
verplicht om uit te leggen waarom hij hem geen enkelband of probatie
gaf.
2. Maakte de fout in de datum van de eerdere veroordeling
wat uit?
- De
regel: Een eerdere veroordeling (herhaling) is een vaststaand feit dat
de rechter mag vaststellen op basis van de papieren die in het
strafdossier zitten.
- Wat
gebeurde er: In de oproepingsbrief stond per vergissing de datum
"25 maart 2024", maar het juiste vonnis van "25 juni
2024" lag gewoon netjes in het officiële strafdossier.
- De
beslissing: Omdat het juiste papier in het dossier zat en de man en
zijn advocaat dat vooraf konden inkijken, waren zijn rechten niet
geschonden. De rechter mocht zich dus gewoon op het juiste vonnis baseren.
Het eindresultaat
Het Hof van Cassatie heeft het beroep van de man volledig
afgewezen. De celstraf van één jaar blijft dus definitief gehandhaafd en de
man moet bovendien de proceskosten van 190,80 euro betalen.