Printvriendelijk afdrukken

Posts tonen met het label EHRM. Alle posts tonen
Posts tonen met het label EHRM. Alle posts tonen

donderdag 24 september 2026

Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights - samenvatting met AI

Bron

Deze bron betreft de inleiding van een officiële rechtspraakgids (Case-Law Guide) die is uitgegeven door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

De gids behandelt de volgende kernpunten:

  • Doel van de gids: Het document richt zich tot rechtspraktijkers en vat de belangrijkste, leidende en meest recente arresten en beslissingen van het EHRM samen met betrekking tot de rechten van gedetineerden (prisoners' rights).
  • Rol van het EVRM: De rechtspraak van het Hof dient niet alleen om individuele geschillen te beslechten, maar verduidelijkt en ontwikkelt de regels van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in het algemeen belang. Het EVRM wordt omschreven als een "constitutioneel instrument van de Europese openbare orde" op het gebied van mensenrechten.
  • Subsidiariteitsbeginsel (Protocol Nr. 15): Er wordt verwezen naar de invoeging van het subsidiariteitsbeginsel in de preambule van het EVRM. Dit houdt in dat er een gedeelde verantwoordelijkheid bestaat tussen het Hof en de verdragssluitende Staten, waarbij nationale rechters en overheden het nationale recht zodanig moeten interpreteren en toepassen dat de verdragsrechten daadwerkelijk uitwerking krijgen.

 

Het overzicht van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over gedetineerdenrechten (Guide on the case-law of the ECHR – Prisoners' rights) formuleert het uitgangspunt dat de rechten uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet stoppen bij de gevangenispoort. Gedetineerden behouden alle fundamentele verdragsrechten, behalve het recht op vrijheid inzake wettige vrijheidsbeneming. Elke verdere beperking moet specifiek worden gerechtvaardigd door de overheid op gronden van veiligheid en orde.

Hieronder worden de rechten van gedetineerden per materie gedetailleerd uiteengezet:


1. Algemene uitgangspunten en menselijke waardigheid

  • Respect voor menselijke waardigheid: Gedetineerden moeten te allen tijde menswaardig worden behandeld. Behandeling die iemand vernedert, vernedert of angst en minderwaardigheid opwekt die de fysieke of mentale weerstand breekt, valt onder het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling (artikel 3 EVRM).
  • Positieve verplichting van de Staat: De Staat heeft de plicht om gedetineerden, die zich in een kwetsbare positie bevinden, te beschermen. De penitentiaire infrastructuur moet zo worden georganiseerd dat de menselijke waardigheid gewaarborgd is, ongeacht financiële of logistieke problemen.
  • Reïntegratie en resocialisatie: Een van de voornaamste doelen van een gevangenisstraf is de reïntegratie van de veroordeelde in de samenleving. De overheid heeft een inspanningsverplichting om regimes aan te bieden die gericht zijn op reïntegratie, ook bij levenslanggestraften.

2. Detentieomstandigheden en materiële leefomstandigheden

  • Opname en registratie: Een opsluiting is pas wettig als er een geldige rechterlijke beslissing aan ten grondslag ligt en de opsluiting formeel wordt geregistreerd (datum, tijd, redenen, identificatie). Bij opname moet er aandacht zijn voor de gezinssituatie van de gedetineerde en diens gezondheidstoestand, met het aanbieden van gratis, vrijwillige screening op overdraagbare ziektes (zoals HIV en hepatitis).
  • Plaatsing en afstand tot de familie: Hoewel een gedetineerde geen vrij recht heeft op de keuze van de gevangenis, kan een plaatsing op extreme afstand van de familie (waardoor bezoeken vrijwel onmogelijk worden) een schending opleveren van het recht op eerbiediging van het gezinsleven (artikel 8 EVRM).
  • Celruimte en overbevolking (artikel 3 EVRM):
    • Minimumnorm van 3 m²: In een meerpersoonscel geldt een absolute ondergrens van 3 m² vloeroppervlakte per gedetineerde (waarbij het sanitair niet mee telt). Ligt de ruimte onder de 3 m², dan geldt een sterk vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM.
    • Compensderende factoren: Dit vermoeden kan enkel worden weerlegd als de reductie kortstondig en gering is, gecombineerd met voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel en afwezigheid van andere verzwarende omstandigheden.
    • Ruimte tussen 3 m² en 4 m²: Hier wordt de celruimte beoordeeld in samenhang met bijkomende factoren zoals toegang tot buitenlucht, daglicht, ventilatie, kamertemperatuur en afgescheiden sanitair.
  • Verlichting, ventilatie en temperatuur: Cellen moeten beschikken over voldoende natuurlijk licht en verse lucht. Metalen blinden voor het raam die licht en lucht blokkeren, of constante kunstverlichting die de nachtrust verstoort, kunnen een schending opleveren. Cellen moeten tevens beschermd zijn tegen extreme zomerhitte en winterkoude.
  • Hygiëne en sanitair:
    • Privacy bij toiletgebruik: Toiletten in cellen moeten volledig worden afgescheiden van het leefgedeelte. Het ontbreken van privacy (toilet in het zicht van medegevangenen of bewakers) schendt de menselijke waardigheid en artikel 8 EVRM.
    • Douche en verzorging: Gedetineerden moeten voldoende toegang hebben tot douches (eenmaal per week of eenmaal per 10 dagen is onvoldoende). Er moeten actieve maatregelen worden genomen tegen ongedierte en infecties.
    • Lijfelijke integriteit: Een absoluut verbod op het dragen van een baard of het gedwongen kaalscheren van het hoofd zonder noodzaak tast de menselijke waardigheid aan.
  • Slaapgelegenheid en kleding: Elke gedetineerde heeft recht op een eigen individuele slaapplaats (geen beurtelings slapen). Hoewel gevangeniskleding mag worden verplicht binnen de inrichting, vormt het verplicht dragen van gevangeniskleding en boeien tijdens externe ziekenhuisbezoeken of begrafenissen een inbreuk op het privéleven.
  • Voeding: Er moeten minstens drie volwaardige maaltijden per dag worden verstrekt. Het weigeren van een specifiek dieet op medische voorschrift of op religieuze gronden (bv. een vegetarisch/boeddhistisch of halal/kosjer dieet) schendt verdragsrechten wanneer dit zonder zwaarwichtige redenen gebeurt.
  • Wandeling en beweging: Alle gedetineerden hebben zonder uitzondering recht op minstens één uur beweging in de buitenlucht per dag. De wandelhoof moet voldoende ruim zijn en bescherming bieden tegen slecht weer.

3. Veiligheid, controle en fouilleringen

  • Fouilleringen (Strip searches & body searches): Fouilleringen moeten strikt noodzakelijk zijn voor de veiligheid en met eerbiediging van de menselijke waardigheid plaatsvinden.
    • Systematische, routinematige ontkledingsfouilleringen (inclusief anale inspecties) zonder specifieke individuele aanleiding of verdenking vormen vernederende behandeling onder artikel 3 of artikel 8 EVRM.
    • Het ontkleden in aanwezigheid van personeel van het andere geslacht is uitdrukkelijk niet toegestaan.
  • Cameratoezicht en bewaking: Permanent (24/7) videotoezicht in de cel vormt een ernstige inbreuk op de privacy (artikel 8 EVRM) en vereist een duidelijke wettelijke basis met periodieke herziening.
  • Transport van gedetineerden: Bij vervoer in celwagens of treinen moet minstens 0,5 m² ruimte per persoon worden geboden, met voldoende zithoogte, ventilatie, verwarming en drinkwater. Vervoer in extreem krappe cubicles waar men moet bukken, geldt als vernederend.

4. Contact met de buitenwereld

  • Familiebezoeken en gezinsleven (artikel 8 EVRM):
    • De overheid is verplicht gedetineerden te helpen bij het onderhouden van contact met hun naaste familie.
    • Beperkingen op familiebezoeken moeten wettelijk omschreven zijn en proportioneel zijn. Automatische of langdurige verboden op fysiek contact (zoals glaswanden gedurende meerdere jaren) vereisen een voortdurende individuele risicoafweging.
    • Bezoekregelingen moeten rekening houden met schoolgaande kinderen en reisafstanden.
    • Echtelijk/intiem bezoek (conjugal visits): Hoewel het EVRM niet uitdrukkelijk intiem bezoek verplicht stelt, valt dit onder artikel 8 EVRM; willekeurige of discriminerende toekenning ervan is verboden.
    • Humanitair verlof: Bij ernstige ziekte of het overlijden van een nabij familielid moet de overheid per geval beoordelen of de gedetineerde (eventueel onder begeleiding) afscheid mag nemen of de begrafenis mag bijwonen.
  • Huwelijk: Gedetineerden behouden het recht om te trouwen (artikel 12 EVRM).
  • Briefwisseling en communicatie:
    • Correspondentie met de buitenwereld is beschermd onder artikel 8 EVRM. Systematische controle of inhouding van alle post zonder individuele reden is niet toegestaan.
    • Briefwisseling en gesprekken met een advocaat of het EHRM zijn strikt vertrouwelijk en mogen enkel in uiterst uitzonderlijke omstandigheden (bij gegronde verdenking van misbruik) worden ingezien.
  • Telefoon en internet/media:
    • Indien telefoongelegenheid aanwezig is, mogen beperkingen niet willekeurig zijn. Een algeheel telefoonverbod voor lange duur is onevenredig.
    • Er bestaat geen algemeen recht op internettoegang, maar indien de nationale wetgeving toegang verleent tot bepaalde juridische websites, mag toegang tot andere juridische/mensenrechtenbronnen niet willekeurig worden geweigerd (artikel 10 EVRM).

5. Gezondheidszorg in de gevangenis

  • Recht op adequate medische zorg: De Staat heeft de positieve verplichting om het leven (artikel 2) en de fysieke/mentale gezondheid (artikel 3) van gedetineerden te beschermen.
  • Gelijkwaardig zorgniveau: De medische zorg in de gevangenis moet kwalitatief gelijkwaardig zijn aan de zorg in de vrije samenleving.
  • Vereisten voor de zorg:
    • Snelle en nauwkeurige diagnose door gekwalificeerd personeel.
    • Bijhouden van een nauwkeurig en vertrouwelijk medisch dossier.
    • Een samenhangende therapeutische strategie (niet louter symptoombestrijding).
    • Toegang tot externe specialisten of een burgerziekenhuis indien de gevangenis niet over de juiste middelen beschikt.
  • Fysieke aandoeningen, handicap en ouderdom:
    • Detentie van ernstig zieke, gehandicapte of hoogbejaarde personen vereist speciaal aangepaste omstandigheden (rolstoeltoegankelijkheid, verpleging, sanitaire hulp). Het laten afhangen van hulp door celgenoten is onvoldoende.
    • Bij terminale ziektes moet uit humanitaire overwegingen de verdere detentie worden heroverwogen.
  • Infectieziekten en verslaving: Adequate behandeling van TBC, HIV en Hepatitis C is verplicht. Bij drugverslaving moet geschikte medische zorg of substitutietherapie zorgvuldig worden beoordeeld. Passief roken moet worden vermeden voor gedetineerden met ademhalingsproblemen.
  • Geestelijke gezondheidszorg: Gedetineerden met psychische stoornissen zijn extra kwetsbaar. Indien de gevangenis geen geschikte psychiatrische behandeling kan bieden, is de Staat verplicht hen over te plaatsen naar een gespecialiseerde psychiatrische inrichting. Het ontbreken van een individueel behandelingsplan geldt als "therapeutische verwaarlozing".

6. Orde, tucht en geweldgebruik

  • Geweldgebruik door personeel: Fysiek geweld tegen een gedetineerde dat niet strikt noodzakelijk wordt gemaakt door diens eigen gedrag, vormt een aantasting van de menselijke waardigheid en schendt artikel 3 EVRM. Elk geloofwaardig signaal van mishandeling vereist een onafhankelijk en doeltreffend officieel onderzoek.
  • Veiligheidsmiddelen (handboeien & pepperspray): Handboeien mogen niet routinematig of vernederend worden gebruikt bij verzwakte, zieke of zwangere gedetineerden of tijdens rechtszittingen zonder specifiek vlucht- of veiligheidsrisico. Pepperspray mag nooit in besloten ruimtes of tegen een reeds onder controle gebrachte gedetineerde worden ingezet.
  • Tuchtprocedures (artikel 6 EVRM): Zware tuchtstraffen (zoals het verlengen van de detentieduur of langdurige eenzame opsluiting) vallen onder het recht op een eerlijk proces. Tuchtstraffen moeten proportioneel zijn; de zwaarste straf mag niet willekeurig worden opgelegd.
  • Bescherming tegen geweld door medegevangenen: De overheid heeft de positieve plicht gedetineerden te beschermen tegen fysiek, geestelijk of seksueel geweld door celgenoten. Het tolereren van informele gevangenishiërarchieën (waarbij bepaalde gedetineerden als "uitgestotenen" worden vernederd of misbruikt) vormt een schending van artikel 3 EVRM.

7. Bijzondere veiligheidsregimes en eenzame opsluiting

  • Bijzondere regimes: Strikte veiligheidsregimes voor gevaarlijke of van terrorisme verdachte gedetineerden zijn toegestaan, maar moeten wettelijk verankerd zijn, regelmatig worden herzien en vergezeld gaan van menselijk contact en opvang.
  • Eenzame opsluiting (Solitary confinement):
    • Volledige zintuiglijke en sociale isolatie is absoluut verboden.
    • Relatieve eenzame opsluiting mag niet voor onbepaalde duur duren, vereist zwaarwichtige motivering, regelmatige medische controle en de mogelijkheid tot rechterlijk beroep.
    • Eenzame opsluiting mag nooit als straf worden gebruikt voor het indienen van klachten.

8. Specifieke categorieën gedetineerden

  • Moeders en kinderen: Een gedetineerde moeder en haar pasgeboren baby moeten samen kunnen blijven in een geschikte omgeving met aangepaste voeding, hygiëne en regelmatige zorg door een kinderarts.
  • Buitenlandse gedetineerden en minderheden: Hebben recht op snelle informatie over de redenen van hun detentie in een taal die zij begrijpen (eventueel via een tolk) en bescherming tegen discriminatie of etnisch geweld.
  • Levenslanggestraften: Een levenslange gevangenisstraf zonder enige mogelijkheid tot herziening of verkorting (zowel de jure als de facto) schendt artikel 3 EVRM. Er moet uiterlijk na 25 jaar een formeel herzieningsmechanisme bestaan dat de voortgang van de reïntegratie beoordeelt.
  • LGBTI / Transgender gedetineerden: Hebben recht op bescherming tegen geweld en op de voortzetting van medisch geïndiceerde behandelingen (zoals hormoontherapie).

9. Rechten in gerechtelijke procedures en klachtrecht

  • Toegang tot een advocaat: Directe en vertrouwelijke toegang tot een advocaat is een essentieel recht (artikel 6 EVRM).
  • Deelname aan het eigen proces: Gedetineerden moeten in staat worden gesteld hun proces naar behoren voor te bereiden (geen uitputtend transport of extreem krap verblijf in het gerechtsgebouw vlak voor de zitting). Het plaatsen van een verdachte in een glazen cabine of metalen kooi tijdens de zitting zonder specifieke veiligheidsnoodzaak is vernederend.
  • Vrije communicatie met het EHRM (artikel 34 EVRM): Gedetineerden moeten gehinderd noch onder druk gezet worden om klachten bij het Hof in te dienen of in te trekken. Briefwisseling van en naar het EHRM is strikt vertrouwelijk.
  • Recht op een doeltreffend rechtsmiddel (artikel 13 EVRM): Gedetineerden moeten in het nationale recht beschikken over een effectief beroep om slechte detentieomstandigheden te doen stoppen (preventief) én om een schadevergoeding te eisen (compensatoir).

10. Overige vrijheden (Religie, Expressie, Onderwijs, Stemrecht)

  • Godsdienstvrijheid (artikel 9 EVRM): Gedetineerden hebben het recht hun religie te belijden (gebed, bezit van religieuze boeken, bezoeken van een geestelijke, aangepaste maaltijden).
  • Vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM): Gedetineerden mogen boeken, tijdschriften en kranten ontvangen en teksten of manuscripten schrijven.
  • Arbeid en onderwijs: Gevangenisarbeid dient primair het doel van herresocialisatie. Indien er onderwijsinstellingen of cursusmogelijkheden in de gevangenis aanwezig zijn, mag toegang daartoe niet willekeurig worden ontzegd.
  • Stemrecht: Een algemeen, automatisch en willekeurig verbod op stemrecht voor alle veroordeelde gedetineerden (zonder rekening te houden met de aard of ernst van het misdrijf) schendt het recht op vrije verkiezingen.

Vereisten voor toiletten en sanitaire voorzieningen. 

In de bron Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights – Prisoners’ rights wordt uitdrukkelijk ingegaan op de vereisten voor toiletten en sanitaire voorzieningen in cellen:

  1. Eis van menselijke waardigheid en privacy (Artikel 8 EVRM)
    Gerede toegang tot hygiënische en goed uitgeruste sanitaire voorzieningen is volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) essentieel voor de menselijke waardigheid. Het ontbreken van behoorlijke toegang tot toiletvoorzieningen vormt een schending van de verplichting van de overheid om een minimum aan privacy te waarborgen onder artikel 8 EVRM.
  2. Afscheiding en privacy van het toilet in de cel
    Het EHRM heeft in meerdere zaken geoordeeld over situaties waarin een toiletpot open in de hoek van de cel stond zonder afscheiding van het leefgedeelte, of slechts was afgeschermd met een enkel tussenschotje van 1 tot 1,5 meter hoog.
    • Geen privacy: Dit is niet alleen uit hygiënisch oogpunt bezwaarlijk, maar ontneemt de gedetineerde elke privacy omdat hij op het toilet volledig in het zicht blijft van celgenoten én van bewakers die door het spionnetje (kijkgat) kijken.
    • Verzwarende omstandigheid: Dit gebrek aan privacy weegt extra zwaar bij overbevolking of wanneer een gedetineerde kampt met een specifieke medische aandoening.
  3. Beoordeling van de celruimte (Artikel 3 EVRM)
    Wanneer een gedetineerde in een meerpersoonscel tussen de 3 m² en 4 m² persoonlijke ruimte heeft, is de mogelijkheid om het toilet in privacy te gebruiken een zwaarwegende factor om te beoordelen of er sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling onder artikel 3 EVRM.
  4. Berekening van het celoppervlak
    Bij het berekenen van het minimale persoonlijke celoppervlak per gedetineerde in een meerpersoonscel wordt de sanitaire ruimte in de cel uitgesloten van de berekening van het totale vloeroppervlak.

Vervoer van gedetineerden.

In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) valt het vervoer van gedetineerden voornamelijk onder Artikel 3 EVRM (het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling).

De belangrijkste regels en normen over het transport van gedetineerden per celwagen of trein zijn als volgt ingedeeld:

1. Beschikbare Ruimte (De 0,5 m²-regel)

  • Sterk vermoeden van schending: Er ontstaat een sterk vermoeden van een schending van Artikel 3 EVRM wanneer gedetineerden worden vervoerd in voertuigen waar zij minder dan 0,5 m² vloeroppervlakte per persoon ter beschikking hebben. In sommige zaken hadden gedetineerden slechts 0,25 m².
  • Oorzaak van de krapte maakt niet uit: Het maakt voor het Hof niet uit of de krappe omstandigheden het gevolg zijn van overbevolking (te veel gedetineerden tegelijk vervoerd) of van het krappe ontwerp van de afzonderlijke cabines of compartimenten (cubicles).

2. Hoogte en Zithouding

  • Een plafondhoogte van bijvoorbeeld 1,6 meter is onvoldoende voor een persoon van normale lengte om rechtop te staan of in te stappen zonder te bukken.
  • Het EHRM merkt op dat een lage plafondhoogte — zeker in eenpersoonscabines — gedetineerden dwingt om continu gebogen te zitten, wat fysieke vermoeidheid en pijn verergert.

3. Klimaat en Ventilatie

  • Onvoldoende ventilatie op hete dagen of het ontbreken van verwarming wanneer het voertuig stilstaat met een uitgezette motor, gelden als belangrijke verzwarende omstandigheden bij de beoordeling.

4. Duur en Frequentie van de Ritten

  • Incidentele ritten: Het sterke vermoeden van een schending kan in beginsel alleen worden weerlegd als het gaat om een zeer korte of incidentele rit (bijvoorbeeld een eenmalige rit van 20 tot 30 minuten).
  • Langdurig of frequent vervoer: De schadelijke effecten van overbevolking en krapte nemen toe naarmate de ritten langer duren of met een hogere frequentie plaatsvinden (bijvoorbeeld wanneer iemand tientallen of honderden keren onder zulke omstandigheden is vervoerd).

5. Veiligheidsvoorzieningen (Gordels)

  • Het ontbreken van een veiligheidsgordel leidt op zichzelf niet automatisch tot een schending van Artikel 3 EVRM.
  • Het ontbreken van gordels of handvatten levert echter wél een probleem op in combinatie met bijzondere omstandigheden, zoals bij het vervoer van een patiënt met een dwarslaesie wiens rolstoel niet werd vastgezet in een rijdend voertuig, of het transport van een pas geopereerde patiënt op een brancard in een niet-aangepaste bus.

6. Transport per Trein (Lange afstanden)

  • Bij vervoer per trein over lange afstanden (van 12 uur tot meerdere dagen) hanteert het EHRM normen die vergelijkbaar zijn met die voor vaste detentie-inrichtingen.
  • Het is onverenigbaar met Artikel 3 EVRM als gedetineerden hun nachtrust moeten missen door een gebrek aan slaapplaatsen.
  • Het ontbreken van een eigen slaapplek, onvoldoende drinkwater of eten, en gebrek aan toegang tot het toilet verergeren de situatie tijdens lange ritten ernstig.

7. Omvattende Beoordeling

  • Het Hof benadrukt dat de beoordeling van transportomstandigheden niet kan worden gereduceerd tot een louter cijfermatige berekening van de beschikbare ruimte. Er moet steeds worden gekeken naar het cumulatieve effect van alle specifieke omstandigheden in hun geheel.

  

donderdag 10 september 2026

EHRM - Lacote /België - EHRM - weiegring verhoor cruciale getuige - AI

Bron

Wanneer mag de rechter een cruciale getuige weigeren? De les uit het EHRM-arrest Lacote t. België



Het recht van een beschuldigde om getuigen te ondervragen vormt een van de belangrijkste pijlers van een eerlijk strafproces. Maar wat gebeurt er wanneer een verdachte in een moordzaak uitdrukkelijk vraagt om sleutelgetuigen te horen, en de rechter dat verzoek afwijst? Vormt dat automatisch een schending van het recht op een eerlijk proces?

Op 10 september 2026 velde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) een belangrijk arrest in de zaak Lacote t. België (requête nr. 17596/23). Het Hof boog zich over de vraag of de Belgische assisenrechter het recht op een eerlijk proces (Artikel 6 EVRM) schond door te weigeren twee Britse getuigen te horen in een dramatische moordzaak uit 1996.


🔍 Het moordmysterie uit 1996: Oplichting, een 9mm-pistolet en verdwenen geld

De feiten in deze zaak lezen als een misdaadroman. Op 28 mei 1996 werd in België een gerechtelijk onderzoek geopend naar aanleiding van de moord op M.M., een Brits staatsburger waarvan het lichaam op 23 mei 1996 werd aangetroffen in De Haan (Le Coq).

Het slachtoffer was naar België gereisd om zaken te doen met de Fransman M. Lacote. Lacote hanteerde al jaren een vast patroon van oplichting: hij deed zich voor als directeur van fictieve investeringsmaatschappijen, gebruikte aliassen en zette zijn partner H.V.A. in om het vertrouwen van investeerders te winnen. M.M. had aanzienlijke sommen geld — waaronder £30.000 van zijn vriend P.J. en £210.000 van zijn zakenpartner J.M. — geleend om in het project met Lacote te steken. Toen M.M. doorkreeg dat hij was opgelicht, eiste hij op 23 mei 1996 dringend zijn geld terug.

Wat er die bewuste dag gebeurde, werd door het speurwerk nauwkeurig in kaart gebracht:

  • Aankoop van het moordwapen: Diezelfde namiddag om 16:45 uur kocht Lacote op de luchthaven van Charleroi in alle haast een CZ 9mm-pistolet van een kennis. M.M. werd later geëxecuteerd met een kogel van exact datzelfde 9mm-caliber.
  • Telefonische sporen: Uit gedetailleerde zendmast- en telefoniegegevens bleek dat M.M. die dag in Knokke op Lacote wachtte en tot 20:12 uur telefonisch contact met hem had. Om 20:12 uur bevond Lacote zich onder de zendmast van Zeebrugge (vlakbij Knokke) en om 21:58 uur doken zijn telefoonsignalen op in Oostende. Het slachtoffer werd in de tussentijd omgebracht in het nabijgelegen De Haan.
  • Gedumpte spullen op het strand: De dag na de moord namen Lacote en H.V.A. de ferry naar de Isle of Wight. Twee dagen later spoelden de identiteits- en persoonsdocumenten van het slachtoffer aan op het strand van Lymington in het Verenigd Koninkrijk.
  • Geldspoor: Met het geld dat M.M. bij de bank had opgenomen, werd de dag na zijn verdwijning contant 1.000.000 Belgische frank voorschot betaald voor een kasteel/woning in Houx (Yvoir) op naam van Lacotes partner.

🏃 24 jaar voortvluchtig en een nieuw proces op verzet

Na een korte periode van voorlopige hechtenis in 1996 werd Lacote vrijgelaten, waarna hij het Belgische grondgebied verliet. Hij vluchtte naar Zuid-Afrika, waar hij in 2008 zelfs uit de gevangenis wist te ontsnappen. In 2011 werd hij door het hof van assisen in Brugge bij verstek veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

Pas in november 2019 werd Lacote gearresteerd in Abidjan (Ivoorkust) en begin 2020 overgeleverd aan België. Hij tekende verzet aan tegen zijn veroordeling bij verstek, wat leidde tot een volledig nieuw assisenproces in Brugge.

Tijdens de voorbereiding van dit nieuwe proces verzocht de raadsman van Lacote om 29 getuigen op te roepen, waaronder P.J. en J.M. — de twee Britse geldschieters die tijdens het opsporingsonderzoek in 1998 in Engeland waren verhoord over de financiële transacties met het slachtoffer.

De voorzitter van het hof van assisen liet 20 getuigen toe, maar weigerde de overige 9 getuigen (waaronder P.J. en J.M.). De voorzitter formuleerde die weigering met de standaardformule uit het Wetboek van Strafvordering: dat hun getuigenis "manifest niet kon bijdragen tot de waarheidsvinding".

Op 16 maart 2021 verklaarde de jury van het hof van assisen Lacote opnieuw schuldig aan moord en veroordeelde hem tot 30 jaar opsluiting. Nadat het Hof van Cassatie zijn beroep verwerpt, stapt Lacote naar het EHRM in Straatsburg. Hij stelt dat het niet-horen van P.J. en J.M. zijn recht om getuigen te ondervragen (Artikel 6 § 3 d EVRM) fundamenteel heeft geschonden.


⚖️ De juridische toets van het EHRM: De driestapstest

Wanneer de verdediging klaagt over afwezige of geweigerde getuigen, past het EHRM de gevestigde Al-Khawaja en Schatschaschwili-driestapstest toe:

  1. Was er een gegronde reden voor de niet-verschijning van de getuige?
  2. Vormde de verklaring van de afwezige getuige het enige of beslissende bewijs (sole or decisive evidence) voor de veroordeling?
  3. Waren er voldoende compenserende waarborgen (counterbalancing factors) om de moeilijkheden voor de verdediging op te vangen en de algehele billijkheid van het proces te garanderen?

🏛️ Het oordeel van het Europees Hof: Geen schending van het eerlijk proces

Met vijf tegen twee stemmen oordeelde de Eerste Kamer van het EHRM dat Artikel 6 EVRM niet is geschonden.

Het Hof kwam tot deze conclusie op basis van de volgende overwegingen:

1. De motivering van de voorzitter kon beter, maar was niet fataal

Het Hof merkte op dat de voorzitter van het hof van assisen louter verwees naar de wettelijke formule om de getuigen te weigeren, zonder een specifieke feitelijke reden op te geven. Hoewel het EHRM benadrukte dat het beter geweest zou zijn als de voorzitter die redenen expliciet had geformuleerd, is het ontbreken van een specifieke reden op zich niet voldoende om het hele proces onfair te verklaren.

2. De getuigenissen waren "noch het enige, noch het beslissende bewijs"

Het EHRM stelde vast dat de schuld van Lacote absoluut niet uitsluitend steunde op de verklaringen van de twee afwezige Britse getuigen. Hun verklaringen gingen enkel over de financiële achtergrond en het motief.

De veroordeling door de assisenjury berustte op een indrukwekkend, hecht gebouw van objectieve en overeenstemmende bewijselementen:

  • De haastige aankoop van het 9mm CZ-pistolet op de dag van de moord;
  • De exacte zendmast- en telefoongegevens die bewijzen dat Lacote op het moment van de moord in de directe nabijheid van het slachtoffer was;
  • De identiteitspapieren van het slachtoffer die aanspoelden op het Engelse strand waarlangs Lacote vluchtte;
  • De leugenachtige, veranderlijke en tegenstrijdige verklaringen die Lacote zelf aflegde.

3. Ruime waarborgen en een gemotiveerd arrest

Het EHRM benadrukte dat het strafproces in zijn geheel beoordeeld moet worden (équité globale). Lacote werd bijgestaan door twee advocaten, kon 20 andere getuigen uitgebreid ondervragen en kreeg een uitvoerig gemotiveerd arrest waarin de jury precies uitlegde waarom hij schuldig was en welk gewicht aan elk bewijs werd gehecht.


⚡ De afwijkende mening (Dissenting Opinion)

De beslissing werd niet met eenparigheid genomen. Twee rechters (Ivana Derenčinović en Anna Adamska-Gallant) brachten een scherpe afwijkende mening uit.

Zij voerden aan dat de financiële relatie tussen de dader en het slachtoffer de kern vormde van het motief voor de moord. Volgens de dissenting rechters hadden de twee Britse getuigen juist cruciale informatie over die financiële verhoudingen. Door hun verhoor te weigeren zonder gegronde motivering, werd het recht van de verdediging om bezwarend bewijs te betwisten volgens de minderheid wel degelijk aangetast.


🎯 Wat leren we uit dit arrest voor de rechtspraktijk?

Het arrest Lacote t. België bevestigt een aantal belangrijke principes voor het strafrecht en de mensenrechtenpraktijk:

  1. Het recht op getuigenverhoor is niet absoluut: De verdediging heeft niet het recht om onbeperkt elke gewenste getuige op te roepen; de rechter behoudt de bevoegdheid om niet-relevante getuigenissen te weigeren.
  2. De totaalbeoordeling telt (équité globale): Het EHRM staart zich niet blind op één geweigerde getuige of een vormfout, maar kijkt naar het evenwicht van het gehele proces van de instructie tot het definitieve vonnis.
  3. Materiële en objectieve bewijzen wegen het zwaarst: Wanneer een veroordeling steunt op harde, objectieve vaststellingen (zoals ballistiek, telefonie en reisgegevens), zal het niet-horen van een secundaire getuige niet snel leiden tot een schending van het EVRM.
  4. Het belang van de motiveringsplicht: Hoewel België deze zaak won, herhaalt het EHRM de duidelijke waarschuwing aan rechters om de weigering van een getuige altijd specifiek en inhoudelijk te motiveren.

dinsdag 1 september 2026

Uitspraak EHRM - CASE OF BRUNELL AND MCARDLE v. THE NETHERLANDS

Bron

Belangrijke uitspraak EHRM - wordt nader besproken in andere post!

Samenvatting AI

Veroordeling in hoger beroep zonder herverhoor van getuige schendt recht op een eerlijk proces ⚖️

Samenvatting met AI - voor een volledig en juist begrip, raadpleeg de uitspraak.

Feiten

⚖️ De eisers, Kenneth Brunell en Barry McArdle (beide Ierse nationalen), werden in Nederland vervolgd voor doodslag en lijkwegmaking. 🔓 In eerste aanleg sprak de rechtbank hen vrij van doodslag. 👨‍⚖️ In hoger beroep vernietigde het gerechtshof deze vrijspraak en veroordeelde hen alsnog tot celstraf. 🗣️ Deze veroordeling was beslissend gebaseerd op de verklaring van een belastende sleutelgetuige. ❌ Het gerechtshof hoorde deze getuige echter niet zelf rechtstreeks, hoewel er ernstige twijfels bestonden over diens geloofwaardigheid. De Hoge Raad verwierp hun cassatieberoep.

Verweermiddelen

🛡️ De eisers voeren voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aan dat hun recht op een eerlijk proces onder artikel 6 EVRM is geschonden. 🔄 Zij betogen dat de vernietiging van hun vrijspraak gebaseerd is op de verklaringen van een getuige die de appelrechter nooit zelf heeft gehoord of beoordeeld, wat hun verdedigingsrechten schendt.

Principes

📖 Artikel 6 van het EVRM garandeert het recht op een eerlijk proces. 💡 Het onmiddellijkheidsbeginsel vereist dat een rechter die een eerdere vrijspraak intrekt, de belangrijkste getuige zelf rechtstreeks hoort om de betrouwbaarheid te beoordelen. 🛑 Het louter afgaan op schriftelijke verklaringen bij ernstige twijfel over de geloofwaardigheid tast de billijkheid van de hele procedure aan. Cassatie die dit verzuim niet herstelt, biedt onvoldoende garantie.

Besluit

✅ Het EHRM oordeelt unaniem dat er sprake is van een schending van artikel 6 EVRM. 🔄 Omdat de eisers geen schadevergoeding of kosten hebben gevorderd, is de heropening van de strafprocedure in Nederland de meest passende vorm van herstel. 🏛️ De vaststelling van de schending vormt op zichzelf al voldoende rechtvaardige genoegdoening.

📅 Datum: 1 september 2026 🔢 Rolnummer: 30395/20 en 31220/20

#EHRM #EVRM #EerlijkProces #Getuigenverhoor #Justitie #RechtenVanDeMensBelangrijke uitspraak EHRM - wordt nader besproken in andere post!

dinsdag 25 augustus 2026

De zaak-Osman Kavala: Waarom een Turkse rechtszaak de fundamenten van onze vrijheid raakt - AI

Bron

De zaak-Osman Kavala: Waarom een Turkse rechtszaak de fundamenten van onze vrijheid raakt

Stel je voor: je zet je in voor een mooier park in de stad, organiseert culturele projecten en praat met internationale organisaties over mensenrechten. En plotseling word je gearresteerd, beschuldigd van een poging om de regering omver te werpen, en veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder dat je ooit nog een kans hebt om vrij te komen.

Dit is geen scenario uit een dystopische film, maar de harde realiteit van Osman Kavala, een Turkse ondernemer en mensenrechtenactivist. Zijn zaak ligt op het bord van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg. In deze analyse leggen we in begrijpelijke taal uit wat er precies is gebeurd, waarom het proces een schijnvertoning was en waarom dit vonnis van het EHRM (van 25 augustus 2026) een cruciale waarschuwing is voor ons allemaal.


Wie is Osman Kavala en wat is de achtergrond?

Osman Kavala is een gerespecteerde Turkse zakenman die zijn leven en vermogen heeft gewijd aan maatschappelijke organisaties (ngo's). Hij hield zich bezig met cultuur, milieubescherming en vreedzame dialoog.

Sinds 18 oktober 2017 zit hij onafgebroken vast – dat is inmiddels al meer dan achteneenhalf jaar. De Turkse autoriteiten beschuldigden hem van twee grote feiten:

  1. Het organiseren en financieren van de vreedzame Gezi-parkprotesten in 2013 (een protest dat begon om een van de weinige groene parken in Istanbul te beschermen tegen de bouw van een winkelcentrum).
  2. Betrokkenheid bij de mislukte staatsgreep in Turkije in 2016.

De 'juridische draaimolen': Hoe Turkije de regels omzeilde

Het verloop van de rechtszaken tegen Kavala leest als een juridische thriller waarin de overheid steeds de spelregels aanpaste om hem binnen te houden:

  • De eerste tik op de vingers: Al in 2019 oordeelde het Europees Hof (EHRM) dat er geen enkel serieus bewijs tegen Kavala lag en dat hij onmiddellijk moest worden vrijgelaten. Turkije weigerde dit.
  • Vrijspraak... en direct weer handboeien: Op 18 februari 2020 sprak een Turkse rechtbank hem eindelijk vrij voor de Gezi-parkprotesten. Maar in plaats van dat hij naar huis mocht, werd hij diezelfde dag nog in zijn cel gehouden en direct opnieuw gearresteerd voor de staatsgreep van 2016 en 'spionage'.
  • De genadeklap: De eerdere vrijspraak werd later door een hogere rechter ongeldig verklaard. Op 25 april 2022 werd Kavala door de rechtbank in Istanbul alsnog veroordeeld tot verzwaarde levenslange gevangenisstraf voor de Gezi-parkprotesten. Hij werd wel vrijgesproken van spionage, maar de levenslange straf stond vast.

Waarom was dit geen eerlijk proces? (Artikel 6)

Het Europees Hof heeft gehakt gemaakt van de manier waarop Kavala is veroordeeld. Een eerlijk proces is de hoeksteen van de rechtsstaat, maar bij Kavala ging bijna alles mis wat er mis kon gaan:

  1. Geen bewijs, wel straf: De Turkse rechters konden op geen enkele manier aantonen dat Kavala persoonlijk geweld had gebruikt of daartoe had opgeroepen. Toch werd hij verantwoordelijk gehouden voor álle schade en geweld tijdens de protesten. Het Hof stelt dat er simpelweg geen logisch verband is aangetoond tussen zijn vreedzame acties en het geweld van derden.
  2. Getuigen negeren: De advocaten van Kavala vroegen om twee voormalige ministers te horen als getuigen om te bewijzen dat Kavala juist zocht naar dialoog en de-escalatie. De rechter weigerde dit simpelweg, met de standaard opmerking dat het "niets zou bijdragen".
  3. Rechters onder druk zetten: Toen de rechters Kavala in 2020 vrijspraken, opende de Turkse Hoge Raad voor de Magistratuur (CJP) direct een tuchtprocedure tegen hen. Dit stuurt een angstaanjagend signaal naar alle andere rechters in het land: als je deze man vrijspreekt, heeft dat gevolgen voor je eigen carrière.
  4. Partijdige rechters: Een van de rechters die Kavala uiteindelijk tot levenslang veroordeelde, bleek nauwe persoonlijke en politieke banden te hebben met de Turkse regeringspartij.

Het recht om van mening te verschillen (Artikel 10 & 11)

Mag je in een democratie nog vreedzaam protesteren? Volgens de Turkse rechter blijkbaar niet. Zij zagen de vreedzame cultuurprojecten, de vergaderingen en de oproepen van Kavala om geen traangas te gebruiken als "bewijs" van een complot om de regering omver te werpen.

Het EHRM stelt heel duidelijk: vreedzaam protesteren en opkomen voor mensenrechten zijn fundamentele rechten. Als een overheid vreedzame burgers strafrechtelijk gaat vervolgen voor geweld dat door anderen (raddraaiers) tijdens een protest wordt gepleegd, durft straks niemand meer de straat op. Dat heeft een verlammend effect op de hele maatschappij.


De harde conclusies van het Europees Hof

Het definitieve vonnis van de Grote Kamer van het EHRM (met een overweldigende meerderheid van 15 tegen 2 rechters) laat geen spaan heel van het Turkse optreden:

  • Het doel was wraak en stilte (Artikel 18): De vervolging en opsluiting van Kavala had geen juridisch doel, maar een politiek doel. De regering wilde hem persoonlijk straffen voor zijn kritische geluid en de rest van de Turkse maatschappij angst aanjagen .
  • Onmenselijke straf (Artikel 3): De verzwaarde levenslange gevangenisstraf die Kavala kreeg, kent in Turkije geen enkele mogelijkheid tot vervroegde vrijlating of herbeoordeling. Je sterft letterlijk in de cel. Het Hof oordeelt dat zo'n 'uitzichtloze' straf inhumaan en in strijd met de mensenrechten is.
  • Geen 'eerlijk proces' maar een schijnvertoning: Omdat het proces zo fundamenteel oneerlijk was, spreekt het Hof van een "flagrant déni de justice" (een aperte ontkenning van recht). Zijn gevangenschap is daardoor volledig onwettig.

Waarom gaat dit ons allemaal aan?

De zaak-Kavala is uitgegroeid tot hét symbool van de afbrokkelende rechtsstaat in Turkije. Als rechtbanken niet meer onafhankelijk zijn, maar handelen op basis van politieke instructies of angst voor tuchtstraffen, is geen enkele burger meer veilig.

Het EHRM heeft Turkije dan ook de dwingende opdracht gegeven om Osman Kavala onmiddellijk vrij te laten en zijn veroordeling volledig te schrappen. Daarnaast moet Turkije hem 70.000 euro schadevergoeding betalen.

Dit vonnis herinnert ons eraan dat mensenrechten en een onafhankelijke rechterlijke macht geen abstracte luxe zijn, maar de enige bescherming die we hebben tegen de willekeur van de machthebbers.



donderdag 9 april 2026

Uitspraak EHRM - AFFAIRE M.V. ET AUTRES c. BELGIQUE (AI)

Bron

Het arrest M.V. en anderen tegen België van 9 april 2026.

📋 De Feiten: Wat is er precies gebeurd?

In 2021 en 2022 kwamen vier mannen (uit Angola, Guinee, China en Kameroen) in België aan en vroegen zij asiel ("internationale bescherming") aan. Volgens de wet hadden zij direct recht op opvang (zoals een bed, eten en sanitair), maar door de verzadiging van het Belgische opvangnetwerk kregen zij dit niet. Daardoor moesten deze mannen 111 tot zelfs 338 dagen overleven in de straten van Brussel, waar ze sliepen op karton, in de kou, zonder enige hulp van de overheid.

De mannen lieten het er niet bij zitten en stapten naar de Brusselse arbeidsrechtbank. De Belgische rechter gaf hen gelijk en beval de overheid (Fedasil) om hen onmiddellijk op te vangen. Om druk te zetten, legde de rechter dwangsommen (boetes) op voor elke nacht dat ze nog op straat moesten slapen. De Belgische overheid negeerde deze definitieve vonnissen echter volkomen en weigerde ook de dwangsommen te betalen.

Ten einde raad stapten de asielzoekers naar het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Dit Hof legde België onmiddellijk bindende "voorlopige maatregelen" (noodbevelen) op om de mannen direct van de straat te halen. Zelfs na deze zware Europese noodbevelen liet België de mannen nog eens 21, 64, 107 en in één geval zelfs 261 dagen wachten op een opvangplaats.

🛡️ De Verweermiddelen: Wat was het excuus van de Belgische staat?

De Belgische overheid probeerde zich voor het Europees Hof op verschillende manieren te verdedigen:

  1. Verkeerde procedure: De overheid vond dat de asielzoekers niet naar het EHRM mochten stappen, omdat ze eerst in België een schadevergoeding hadden moeten eisen via de burgerlijke rechtbank.
  2. Niet "onmenselijk" genoeg: De overheid beweerde dat het leven op straat niet ernstig genoeg was om van "onmenselijke of vernederende behandeling" te spreken. Volgens België hadden de mannen maar hulp moeten vragen bij door de staat gesubsidieerde liefdadigheidsinstellingen en vzw's.
  3. Overmacht en geen kwade wil: De overheid ontkende dat ze de rechters bewust negeerde. Men schoof de schuld op "materiële onmogelijkheid" door een samenloop van crisissen: een enorme stijging van het aantal asielzoekers, Oekraïense vluchtelingen, een tekort aan personeel en gebrek aan beschikbare gebouwen.

⚖️ De Principes: Hoe keek het Europees Hof hiernaar?

Het EHRM veegde de argumenten van de Belgische staat van tafel op basis van drie fundamentele principes uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM):

  • Artikel 3 (Verbod op onmenselijke behandeling): Het Hof stelt dat het recht op menselijke waardigheid absoluut is. Een migratiecrisis of gebrek aan capaciteit is géén geldig excuus om mensen op straat te laten verkommeren. Dat liefdadigheidsinstellingen misschien een maaltijd gaven, ontslaat de staat niet van zijn wettelijke plicht om voor basisopvang te zorgen.
  • Artikel 6 (Recht op een eerlijk proces & naleving van vonnissen): Als een rechter oordeelt dat de staat iets moet doen, dan móét de staat dat doen. Het Hof oordeelde dat wachttijden van maanden onredelijk zijn, zeker omdat de staat ook weigerde de dwangsommen te betalen die door de Belgische rechters waren opgelegd.
  • Artikel 34 (Naleving van Europese noodbevelen): Als het EHRM een noodbevel uitvaardigt (om onherstelbare schade te voorkomen), moet een land hier onmiddellijk gehoor aan geven. Tientallen tot honderden dagen wachten is een duidelijke schending, ongeacht de crisissituatie.

🔥 Waar het EHRM België "de pan uitveegt"

Het Hof spaarde zijn kritiek op de Belgische overheid niet en gebruikte ongewoon harde juridische taal om de ernst van de situatie te benadrukken. Hier zijn de hardste oordelen:

  1. Over het gebrek aan respect voor de menselijkheid: Het Hof stelt dat het de schuld is van de Belgische autoriteiten dat deze mannen maandenlang, zelfs in de winter, zonder middelen of sanitair op straat leefden. Het Hof oordeelt keihard dat de mannen “slachtoffer zijn geweest van een vernederende behandeling die getuigt van een gebrek aan respect voor hun waardigheid” ("témoignant d'un manque de respect pour leur dignité").
  2. Over het structureel negeren van Belgische rechters: Het Hof wijst op het “systematisch falen van de Belgische autoriteiten om definitieve rechterlijke beslissingen uit te voeren” ("carence systémique des autorités belges").
  3. De absolute veroordeling van het overheidsbeleid (de hardste klap): Het EHRM herinnert België eraan dat het consequent negeren van de wet en het niet opvolgen van rechterlijke bevelen de fundamenten van onze samenleving aantast. Het Hof stelt onomwonden: “een dergelijke praktijk is onverenigbaar met het principe van de rechtsstaat dat aan het hele systeem van het Verdrag ten grondslag ligt” ("une telle pratique est incompatible avec le principe de l'État de droit qui sous-tend l'ensemble du système de la Convention"). In gewone mensentaal zegt het Hof hier: "Door uw eigen rechters te negeren, gedraagt de Belgische overheid zich als een staat waar het recht niet meer regeert."

✅ De Beslissing

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft unaniem beslist dat België schuldig is aan de schending van Artikel 3, Artikel 6 én Artikel 34 van het EVRM.

De Belgische staat is veroordeeld tot het betalen van een morele schadevergoeding (smartengeld) aan de vier mannen voor het leed dat zij hebben ondergaan. België moet binnen de drie maanden de volgende bedragen betalen:

  • Aan M.V.: € 5.070
  • Aan B.L.: € 8.450
  • Aan S.N.: € 12.350
  • Aan G.D.: € 6.000
Hoe bepaalt het EHRM de hoogte van de schadevergoedingen?

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bepaalt de hoogte van een schadevergoeding op basis van artikel 41 van het EVRM, dat het Hof de mogelijkheid geeft om een "billijke tegemoetkoming" (satisfaction équitable) toe te kennen als het nationale recht de gevolgen van een schending onvoldoende kan herstellen. Het Hof hanteert hierbij verschillende criteria voor materiële en morele schade:

Materiële schade (aantoonbaar financieel verlies) Het EHRM kent alleen een vergoeding voor materiële schade toe als er een direct oorzakelijk verband is tussen de vastgestelde schending en de geclaimde financiële schade. In dit arrest hadden de verzoekers bijvoorbeeld een bedrag geëist dat gelijk was aan het Belgische leefloon voor de maanden dat zij op straat leefden, maar het Hof wees dit af omdat dit directe oorzakelijke verband ontbrak en zij volgens het nationale recht sowieso geen aanspraak konden maken op dit leefloon.

Morele schade (smartengeld voor aangedaan leed) Voor het bepalen van de hoogte van de morele schadevergoeding doet het Hof uitspraak naar billijkheid. Het Hof gebruikt geen vaste wiskundige formules, maar weegt de specifieke omstandigheden van het geval af. In dit arrest stelt het Hof uitdrukkelijk dat het rekening houdt met de volgende factoren om het bedrag te bepalen:

  • De aard en de ernst van de schendingen van de rechten van de verzoekers.
  • Het psychologische en fysieke lijden dat deze schendingen bij hen hebben veroorzaakt.
  • De duur van de situatie van ontbering waarin de verzoekers hebben moeten leven.

Op basis van deze concrete afweging naar billijkheid (waarbij met name de wachttijd op straat per individu verschilde), kende het Hof in deze zaak uiteenlopende bedragen voor morele schade toe aan de vier verzoekers, variërend van €5.070 tot €12.350.