Printvriendelijk afdrukken

donderdag 24 september 2026

Uitspraak Federale rechter pers/trump - samenvatting met AI

Bron

De perspas onder vuur: Waarom de Amerikaanse rechter de intrekking van accreditaties door het Witte Huis terugfluit

Op 18 september 2026 kondigde president Donald Trump via een bericht op Truth Social aan dat de nieuwsorganisaties CNN, MS NOW en POLITICO "met onmiddellijke ingang" werden verbannen van het Witte Huis. In de dagen die volgenden werd journalisten van deze media de toegang geweigerd en werden hun zogenaamde hard passes — de vaste persaccreditaties voor het Witte Huis — gedeactiveerd.

Als antwoord spanden de drie persorganisaties samen met drie individuele verslaggevers een rechtszaak aan bij het federale districtshof voor het District of Columbia. Zij vroegen de rechter om een voorlopige voorziening (Temporary Restraining Order – TRO) ter onmiddellijke herstellig van hun perspassen. Rechter Timothy J. Kelly wees de vordering op 24 september 2026 toe.

Hieronder volgt een uitvoerige analyse van het geschil, de argumenten van beide partijen en de juridische motivering van de rechter.


De juridische toets: Het vierdelige Winter-criterium

Om een voorlopige voorziening te verkrijgen, moet de verzoekende partij aan vier zware criteria voldoen uit het richtinggevende arrest Winter v. Natural Resources Defense Council:

  1. Aantonen van een waarschijnlijkheid van succes ten gronde (likelihood of success on the merits);
  2. Het dreigen van onherstelbare schade bij gebrek aan ingrijpen (irreparable harm);
  3. Een belangenafweging die in het voordeel van de verzoeker uitvalt (balance of equities);
  4. Dat de voorlopige maatregel in het openbaar belang is (public interest).

De argumenten van de verzoekers (CNN, MS NOW, POLITICO & Journalisten)

De nieuwsmedia en hun journalisten stelden dat de abrupte intrekking van hun persaccreditaties een regelrechte inbreuk vormt op de Amerikaanse Grondwet. Hun argumentatie rustte op drie pijlers:

1. Schending van de Due Process Clause (Vijfde Amendement)

  • Erkend vrijheidsbelang: Krachtens vaste rechtspraak van het D.C. Circuit Court of Appeals (Sherrill v. Knight en Karem v. Trump) heeft een bona fide verslaggever een grondwettelijk beschermd vrijheidsbelang (liberty interest) bij het behouden van een perspas voor het Witte Huis. Een eenmaal verleende hard pass mag niet zomaar worden ingetrokken zonder behoorlijke rechtspleging.
  • Geen voorafgaande kennisgeving of hoorzitting: Het fundamentele beginsel van procedural due process vereist dat de overheid vooraf kennisgeving (notice) en de mogelijkheid tot een hoorzitting (opportunity to be heard) biedt voordat een grondwettelijk recht wordt ontnomen (Loudermill, UDC Chairs).
  • Ontbreken van duidelijke normen en sancties: Vaste rechtspraak eist dat het Witte Huis vooraf duidelijke, formeel vastgelegde normen hanteert over welk gedrag tot intrekking kan leiden, alsook over de omvang en zwaarte van de op te leggen sanctie (Karem).

2. Onherstelbare schade

  • Het verlies van grondwettelijke vrijheden, zelfs voor heel korte tijd, levert volgens het D.C. Circuit (Mills v. District of Columbia) per definitie onherstelbare schade op.

3. Het openbaar belang en de rol van de vrije pers

  • De vrije pers fungeert als een van de "grote vertolkers tussen de overheid en het volk" (Grosjean v. American Press Co.). Het handhaven van een ongrondwettelijke maatregel is altijd strijdig met het openbaar belang (Karem).

"The interest of a bona fide Washington correspondent in obtaining a White House press pass . . . undoubtedly qualifies as [a] liberty [interest] which may not be denied without due process of law under the fifth amendment."
— D.C. Circuit Court of Appeals in Sherrill v. Knight


De argumenten van de verweerders (De Amerikaanse Overheid / Het Witte Huis)

De Amerikaanse overheid en het Witte Huis voerden verschillende verweren aan om de intrekking van de perspassen te rechtvaardigen:

1. Inroep van Nationale Veiligheid

  • De overheid voerde aan dat het weren van deze nieuwsorganisaties noodzakelijk was ter bescherming van geclassificeerde en gevoelige nationale veiligheidsinformatie.
  • In brieven die op 22 september 2026 (na de start van de zaak) aan de media werden gestuurd, stelde het Witte Huis dat de betrokken organisaties gedrag hadden vertoond dat de nationale veiligheid bedreigde en/of onjuistheden verspreidde, en de standaarden van "professionaliteit en decorum" schond.

2. Kennisgeving achteraf (Post-Deprivation Process)

  • De overheid betoogde dat in "buitengewone omstandigheden" procesrechtelijke waarborgen achteraf (post-deprivation due process) volstaan. Verweerders verwezen hierbij naar Zevallos v. Obama, waarin het bevriezen van tegoeden van internationale drugshandelaars zonder voorafgaande waarschuwing rechtmatig werd bevonden om kapitaalvlucht te voorkomen.

3. Algemene bekendheid van wetgeving

  • De overheid stelde dat journalisten algemeen op de hoogte zijn dat het onthullen of verkeerd behandelen van geclassificeerde informatie onwettig is, wat volgens hen als voldoende voorafgaande waarschuwing diende. Tevens voerde de overheid aan dat de eerdere rechtspraak (Sherrill en Karem) verkeerd was beslist.

De beoordeling door de rechter (Rechter Timothy J. Kelly)

Rechter Kelly oordeelde dat de verzoekers aan alle vier de Winter-voorwaarden voldeden en wees de vordering tot voorlopige voorziening integraal toe.

┌────────────────────────────────────────────────────────────────────────┐
│               HET OORDEEL VAN DE FEDERALE RECHTER                     │
├───────────────────────────────────┬────────────────────────────────────┤
│ 1. Waarschijnlijkheid van succes  │ ✅ Aangetoond (Inbreuk Vijfde     │
│    ten gronde (Due Process)       │    Amendement)              │
├───────────────────────────────────┼────────────────────────────────────┤
│ 2. Dreiging van onherstelbare     │ ✅ Aangetoond (Schending van       │
│    schade                         │    grondrechten)               │
├───────────────────────────────────┼────────────────────────────────────┤
│ 3. Belangenafweging &             │ ✅ Wegen in het voordeel van de    │
│    Openbaar belang                │    pers en de rechtsstaat      │
└───────────────────────────────────┴────────────────────────────────────┘

1. Geen voorafgaande Due Process en gebrek aan normen

De rechter stelde vast dat het vaststaat dat verzoekers geen enkele voorafgaande kennisgeving of hoorzitting hebben gekregen. Bovendien ontbraken vooraf vastgelegde, duidelijke standaarden. De vage formulering "standards of professionalism and decorum" in de brieven van 22 september volstaat geenszins als duidelijke norm.

Bovendien werd de perspas van CNN-verslaggeefster Betsy Klein enkele maanden na de door het Witte Huis bekritiseerde berichtgeving nog gewoon hernieuwd, wat bewijst dat er geen duidelijke waarschuwingen of normen waren.

2. Geen "Buitengewone Omstandigheden" die spoed rechtvaardigen

Het argument dat nationale veiligheid handelen achteraf rechtvaardigde (zoals in Zevallos), werd door de rechter van tafel veegd:

  • De door het Witte Huis gehekelde artikelen dateerden soms van maanden of jaren geleden en betroffen routineuze verslaggeving.
  • Er was geen sprake van acute noodzaak of een spoedeisend risico dat het omzeilen van een voorafgaande hoorzitting kon rechtvaardigen.

"The sorts of stories Defendants identify in the letters to Plaintiffs are routine. And... the Court is skeptical... that Defendants' interest in safeguarding national security is the actual motivation for, or is even advanced by, the revocation of Plaintiffs' hard passes."
— Rechter Timothy J. Kelly

3. Gebrek aan feitelijk bewijs voor nationale veiligheidsrisico's

De rechter benadrukte dat de overheid, ondanks het gewicht van het begrip "nationale veiligheid", geen enkel concreet feitelijk bewijs overlegde dat de verslaggeving de veiligheid daadwerkelijk had geschadigd:

  • In de oorspronkelijke aankondiging van president Trump op Truth Social werd niet gesproken over nationale veiligheid, maar werd de nadruk gelegd op het vermeende gebrek aan waarheid en de negativiteit van de berichtgeving.
  • De door de overheid ingediende verklaringen van Defensie-functionarissen bevatten slechts algemene achtergrondinformatie en vertoonden geen directe kennis van de journalistieke werking binnen het Witte Huis.
  • Aanvullende verklaringen van de media toonden aan dat de journalisten die de gewraakte artikelen schreven in de meeste gevallen niet eens een perspas bezaten, of dat de perspas geen enkele rol speelde bij het tot stand komen van het artikel.

Het Dictum van de Rechter

Het federale districtshof gaf de volgende bevelen:

  1. Onmiddellijk herstel: De verweerders moeten de ingetrokken hard pass-persaccreditaties van alle medewerkers van CNN, MS NOW en POLITICO per direct herstellen.
  2. Geldigheidsduur: De voorlopige voorziening blijft van kracht gedurende 14 dagen, waarin partijen versnelde conclusies moeten indienen voor een beslissing over een langdurigere voorlopige ontzegging (preliminary injunction).
  3. Nominale borgsom: Omdat de overheid geen financieel nadeel ondervindt van de maatregel, wordt de vereiste borgsom vastgesteld op het nominale bedrag van $ 1,00.
  4. Geen opschorting: De rechter weigerde de inwerkingtreding van het bevel uit te stellen, omdat dit het doel van een voorlopige voorziening — het onmiddellijk herstellen van de rechtmatige status-quo — teniet zou doen.

Vooruitblik: Wat betekent deze uitspraak?

Deze uitspraak onderstreept dat ook het hoogste uitvoerende ambt gebonden is aan de grondwettelijke waarborgen van de Due Process Clause. De uitspraak maakt duidelijk dat beweringen over "nationale veiligheid" of "gebrek aan decorum" door de rechterlijke macht kritisch worden getoetst aan feitelijk bewijs en gevestigde rechtspraak.


Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights - samenvatting met AI

Bron

Deze bron betreft de inleiding van een officiële rechtspraakgids (Case-Law Guide) die is uitgegeven door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

De gids behandelt de volgende kernpunten:

  • Doel van de gids: Het document richt zich tot rechtspraktijkers en vat de belangrijkste, leidende en meest recente arresten en beslissingen van het EHRM samen met betrekking tot de rechten van gedetineerden (prisoners' rights).
  • Rol van het EVRM: De rechtspraak van het Hof dient niet alleen om individuele geschillen te beslechten, maar verduidelijkt en ontwikkelt de regels van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) in het algemeen belang. Het EVRM wordt omschreven als een "constitutioneel instrument van de Europese openbare orde" op het gebied van mensenrechten.
  • Subsidiariteitsbeginsel (Protocol Nr. 15): Er wordt verwezen naar de invoeging van het subsidiariteitsbeginsel in de preambule van het EVRM. Dit houdt in dat er een gedeelde verantwoordelijkheid bestaat tussen het Hof en de verdragssluitende Staten, waarbij nationale rechters en overheden het nationale recht zodanig moeten interpreteren en toepassen dat de verdragsrechten daadwerkelijk uitwerking krijgen.

 

Het overzicht van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over gedetineerdenrechten (Guide on the case-law of the ECHR – Prisoners' rights) formuleert het uitgangspunt dat de rechten uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) niet stoppen bij de gevangenispoort. Gedetineerden behouden alle fundamentele verdragsrechten, behalve het recht op vrijheid inzake wettige vrijheidsbeneming. Elke verdere beperking moet specifiek worden gerechtvaardigd door de overheid op gronden van veiligheid en orde.

Hieronder worden de rechten van gedetineerden per materie gedetailleerd uiteengezet:


1. Algemene uitgangspunten en menselijke waardigheid

  • Respect voor menselijke waardigheid: Gedetineerden moeten te allen tijde menswaardig worden behandeld. Behandeling die iemand vernedert, vernedert of angst en minderwaardigheid opwekt die de fysieke of mentale weerstand breekt, valt onder het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling (artikel 3 EVRM).
  • Positieve verplichting van de Staat: De Staat heeft de plicht om gedetineerden, die zich in een kwetsbare positie bevinden, te beschermen. De penitentiaire infrastructuur moet zo worden georganiseerd dat de menselijke waardigheid gewaarborgd is, ongeacht financiële of logistieke problemen.
  • Reïntegratie en resocialisatie: Een van de voornaamste doelen van een gevangenisstraf is de reïntegratie van de veroordeelde in de samenleving. De overheid heeft een inspanningsverplichting om regimes aan te bieden die gericht zijn op reïntegratie, ook bij levenslanggestraften.

2. Detentieomstandigheden en materiële leefomstandigheden

  • Opname en registratie: Een opsluiting is pas wettig als er een geldige rechterlijke beslissing aan ten grondslag ligt en de opsluiting formeel wordt geregistreerd (datum, tijd, redenen, identificatie). Bij opname moet er aandacht zijn voor de gezinssituatie van de gedetineerde en diens gezondheidstoestand, met het aanbieden van gratis, vrijwillige screening op overdraagbare ziektes (zoals HIV en hepatitis).
  • Plaatsing en afstand tot de familie: Hoewel een gedetineerde geen vrij recht heeft op de keuze van de gevangenis, kan een plaatsing op extreme afstand van de familie (waardoor bezoeken vrijwel onmogelijk worden) een schending opleveren van het recht op eerbiediging van het gezinsleven (artikel 8 EVRM).
  • Celruimte en overbevolking (artikel 3 EVRM):
    • Minimumnorm van 3 m²: In een meerpersoonscel geldt een absolute ondergrens van 3 m² vloeroppervlakte per gedetineerde (waarbij het sanitair niet mee telt). Ligt de ruimte onder de 3 m², dan geldt een sterk vermoeden van een schending van artikel 3 EVRM.
    • Compensderende factoren: Dit vermoeden kan enkel worden weerlegd als de reductie kortstondig en gering is, gecombineerd met voldoende bewegingsvrijheid buiten de cel en afwezigheid van andere verzwarende omstandigheden.
    • Ruimte tussen 3 m² en 4 m²: Hier wordt de celruimte beoordeeld in samenhang met bijkomende factoren zoals toegang tot buitenlucht, daglicht, ventilatie, kamertemperatuur en afgescheiden sanitair.
  • Verlichting, ventilatie en temperatuur: Cellen moeten beschikken over voldoende natuurlijk licht en verse lucht. Metalen blinden voor het raam die licht en lucht blokkeren, of constante kunstverlichting die de nachtrust verstoort, kunnen een schending opleveren. Cellen moeten tevens beschermd zijn tegen extreme zomerhitte en winterkoude.
  • Hygiëne en sanitair:
    • Privacy bij toiletgebruik: Toiletten in cellen moeten volledig worden afgescheiden van het leefgedeelte. Het ontbreken van privacy (toilet in het zicht van medegevangenen of bewakers) schendt de menselijke waardigheid en artikel 8 EVRM.
    • Douche en verzorging: Gedetineerden moeten voldoende toegang hebben tot douches (eenmaal per week of eenmaal per 10 dagen is onvoldoende). Er moeten actieve maatregelen worden genomen tegen ongedierte en infecties.
    • Lijfelijke integriteit: Een absoluut verbod op het dragen van een baard of het gedwongen kaalscheren van het hoofd zonder noodzaak tast de menselijke waardigheid aan.
  • Slaapgelegenheid en kleding: Elke gedetineerde heeft recht op een eigen individuele slaapplaats (geen beurtelings slapen). Hoewel gevangeniskleding mag worden verplicht binnen de inrichting, vormt het verplicht dragen van gevangeniskleding en boeien tijdens externe ziekenhuisbezoeken of begrafenissen een inbreuk op het privéleven.
  • Voeding: Er moeten minstens drie volwaardige maaltijden per dag worden verstrekt. Het weigeren van een specifiek dieet op medische voorschrift of op religieuze gronden (bv. een vegetarisch/boeddhistisch of halal/kosjer dieet) schendt verdragsrechten wanneer dit zonder zwaarwichtige redenen gebeurt.
  • Wandeling en beweging: Alle gedetineerden hebben zonder uitzondering recht op minstens één uur beweging in de buitenlucht per dag. De wandelhoof moet voldoende ruim zijn en bescherming bieden tegen slecht weer.

3. Veiligheid, controle en fouilleringen

  • Fouilleringen (Strip searches & body searches): Fouilleringen moeten strikt noodzakelijk zijn voor de veiligheid en met eerbiediging van de menselijke waardigheid plaatsvinden.
    • Systematische, routinematige ontkledingsfouilleringen (inclusief anale inspecties) zonder specifieke individuele aanleiding of verdenking vormen vernederende behandeling onder artikel 3 of artikel 8 EVRM.
    • Het ontkleden in aanwezigheid van personeel van het andere geslacht is uitdrukkelijk niet toegestaan.
  • Cameratoezicht en bewaking: Permanent (24/7) videotoezicht in de cel vormt een ernstige inbreuk op de privacy (artikel 8 EVRM) en vereist een duidelijke wettelijke basis met periodieke herziening.
  • Transport van gedetineerden: Bij vervoer in celwagens of treinen moet minstens 0,5 m² ruimte per persoon worden geboden, met voldoende zithoogte, ventilatie, verwarming en drinkwater. Vervoer in extreem krappe cubicles waar men moet bukken, geldt als vernederend.

4. Contact met de buitenwereld

  • Familiebezoeken en gezinsleven (artikel 8 EVRM):
    • De overheid is verplicht gedetineerden te helpen bij het onderhouden van contact met hun naaste familie.
    • Beperkingen op familiebezoeken moeten wettelijk omschreven zijn en proportioneel zijn. Automatische of langdurige verboden op fysiek contact (zoals glaswanden gedurende meerdere jaren) vereisen een voortdurende individuele risicoafweging.
    • Bezoekregelingen moeten rekening houden met schoolgaande kinderen en reisafstanden.
    • Echtelijk/intiem bezoek (conjugal visits): Hoewel het EVRM niet uitdrukkelijk intiem bezoek verplicht stelt, valt dit onder artikel 8 EVRM; willekeurige of discriminerende toekenning ervan is verboden.
    • Humanitair verlof: Bij ernstige ziekte of het overlijden van een nabij familielid moet de overheid per geval beoordelen of de gedetineerde (eventueel onder begeleiding) afscheid mag nemen of de begrafenis mag bijwonen.
  • Huwelijk: Gedetineerden behouden het recht om te trouwen (artikel 12 EVRM).
  • Briefwisseling en communicatie:
    • Correspondentie met de buitenwereld is beschermd onder artikel 8 EVRM. Systematische controle of inhouding van alle post zonder individuele reden is niet toegestaan.
    • Briefwisseling en gesprekken met een advocaat of het EHRM zijn strikt vertrouwelijk en mogen enkel in uiterst uitzonderlijke omstandigheden (bij gegronde verdenking van misbruik) worden ingezien.
  • Telefoon en internet/media:
    • Indien telefoongelegenheid aanwezig is, mogen beperkingen niet willekeurig zijn. Een algeheel telefoonverbod voor lange duur is onevenredig.
    • Er bestaat geen algemeen recht op internettoegang, maar indien de nationale wetgeving toegang verleent tot bepaalde juridische websites, mag toegang tot andere juridische/mensenrechtenbronnen niet willekeurig worden geweigerd (artikel 10 EVRM).

5. Gezondheidszorg in de gevangenis

  • Recht op adequate medische zorg: De Staat heeft de positieve verplichting om het leven (artikel 2) en de fysieke/mentale gezondheid (artikel 3) van gedetineerden te beschermen.
  • Gelijkwaardig zorgniveau: De medische zorg in de gevangenis moet kwalitatief gelijkwaardig zijn aan de zorg in de vrije samenleving.
  • Vereisten voor de zorg:
    • Snelle en nauwkeurige diagnose door gekwalificeerd personeel.
    • Bijhouden van een nauwkeurig en vertrouwelijk medisch dossier.
    • Een samenhangende therapeutische strategie (niet louter symptoombestrijding).
    • Toegang tot externe specialisten of een burgerziekenhuis indien de gevangenis niet over de juiste middelen beschikt.
  • Fysieke aandoeningen, handicap en ouderdom:
    • Detentie van ernstig zieke, gehandicapte of hoogbejaarde personen vereist speciaal aangepaste omstandigheden (rolstoeltoegankelijkheid, verpleging, sanitaire hulp). Het laten afhangen van hulp door celgenoten is onvoldoende.
    • Bij terminale ziektes moet uit humanitaire overwegingen de verdere detentie worden heroverwogen.
  • Infectieziekten en verslaving: Adequate behandeling van TBC, HIV en Hepatitis C is verplicht. Bij drugverslaving moet geschikte medische zorg of substitutietherapie zorgvuldig worden beoordeeld. Passief roken moet worden vermeden voor gedetineerden met ademhalingsproblemen.
  • Geestelijke gezondheidszorg: Gedetineerden met psychische stoornissen zijn extra kwetsbaar. Indien de gevangenis geen geschikte psychiatrische behandeling kan bieden, is de Staat verplicht hen over te plaatsen naar een gespecialiseerde psychiatrische inrichting. Het ontbreken van een individueel behandelingsplan geldt als "therapeutische verwaarlozing".

6. Orde, tucht en geweldgebruik

  • Geweldgebruik door personeel: Fysiek geweld tegen een gedetineerde dat niet strikt noodzakelijk wordt gemaakt door diens eigen gedrag, vormt een aantasting van de menselijke waardigheid en schendt artikel 3 EVRM. Elk geloofwaardig signaal van mishandeling vereist een onafhankelijk en doeltreffend officieel onderzoek.
  • Veiligheidsmiddelen (handboeien & pepperspray): Handboeien mogen niet routinematig of vernederend worden gebruikt bij verzwakte, zieke of zwangere gedetineerden of tijdens rechtszittingen zonder specifiek vlucht- of veiligheidsrisico. Pepperspray mag nooit in besloten ruimtes of tegen een reeds onder controle gebrachte gedetineerde worden ingezet.
  • Tuchtprocedures (artikel 6 EVRM): Zware tuchtstraffen (zoals het verlengen van de detentieduur of langdurige eenzame opsluiting) vallen onder het recht op een eerlijk proces. Tuchtstraffen moeten proportioneel zijn; de zwaarste straf mag niet willekeurig worden opgelegd.
  • Bescherming tegen geweld door medegevangenen: De overheid heeft de positieve plicht gedetineerden te beschermen tegen fysiek, geestelijk of seksueel geweld door celgenoten. Het tolereren van informele gevangenishiërarchieën (waarbij bepaalde gedetineerden als "uitgestotenen" worden vernederd of misbruikt) vormt een schending van artikel 3 EVRM.

7. Bijzondere veiligheidsregimes en eenzame opsluiting

  • Bijzondere regimes: Strikte veiligheidsregimes voor gevaarlijke of van terrorisme verdachte gedetineerden zijn toegestaan, maar moeten wettelijk verankerd zijn, regelmatig worden herzien en vergezeld gaan van menselijk contact en opvang.
  • Eenzame opsluiting (Solitary confinement):
    • Volledige zintuiglijke en sociale isolatie is absoluut verboden.
    • Relatieve eenzame opsluiting mag niet voor onbepaalde duur duren, vereist zwaarwichtige motivering, regelmatige medische controle en de mogelijkheid tot rechterlijk beroep.
    • Eenzame opsluiting mag nooit als straf worden gebruikt voor het indienen van klachten.

8. Specifieke categorieën gedetineerden

  • Moeders en kinderen: Een gedetineerde moeder en haar pasgeboren baby moeten samen kunnen blijven in een geschikte omgeving met aangepaste voeding, hygiëne en regelmatige zorg door een kinderarts.
  • Buitenlandse gedetineerden en minderheden: Hebben recht op snelle informatie over de redenen van hun detentie in een taal die zij begrijpen (eventueel via een tolk) en bescherming tegen discriminatie of etnisch geweld.
  • Levenslanggestraften: Een levenslange gevangenisstraf zonder enige mogelijkheid tot herziening of verkorting (zowel de jure als de facto) schendt artikel 3 EVRM. Er moet uiterlijk na 25 jaar een formeel herzieningsmechanisme bestaan dat de voortgang van de reïntegratie beoordeelt.
  • LGBTI / Transgender gedetineerden: Hebben recht op bescherming tegen geweld en op de voortzetting van medisch geïndiceerde behandelingen (zoals hormoontherapie).

9. Rechten in gerechtelijke procedures en klachtrecht

  • Toegang tot een advocaat: Directe en vertrouwelijke toegang tot een advocaat is een essentieel recht (artikel 6 EVRM).
  • Deelname aan het eigen proces: Gedetineerden moeten in staat worden gesteld hun proces naar behoren voor te bereiden (geen uitputtend transport of extreem krap verblijf in het gerechtsgebouw vlak voor de zitting). Het plaatsen van een verdachte in een glazen cabine of metalen kooi tijdens de zitting zonder specifieke veiligheidsnoodzaak is vernederend.
  • Vrije communicatie met het EHRM (artikel 34 EVRM): Gedetineerden moeten gehinderd noch onder druk gezet worden om klachten bij het Hof in te dienen of in te trekken. Briefwisseling van en naar het EHRM is strikt vertrouwelijk.
  • Recht op een doeltreffend rechtsmiddel (artikel 13 EVRM): Gedetineerden moeten in het nationale recht beschikken over een effectief beroep om slechte detentieomstandigheden te doen stoppen (preventief) én om een schadevergoeding te eisen (compensatoir).

10. Overige vrijheden (Religie, Expressie, Onderwijs, Stemrecht)

  • Godsdienstvrijheid (artikel 9 EVRM): Gedetineerden hebben het recht hun religie te belijden (gebed, bezit van religieuze boeken, bezoeken van een geestelijke, aangepaste maaltijden).
  • Vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM): Gedetineerden mogen boeken, tijdschriften en kranten ontvangen en teksten of manuscripten schrijven.
  • Arbeid en onderwijs: Gevangenisarbeid dient primair het doel van herresocialisatie. Indien er onderwijsinstellingen of cursusmogelijkheden in de gevangenis aanwezig zijn, mag toegang daartoe niet willekeurig worden ontzegd.
  • Stemrecht: Een algemeen, automatisch en willekeurig verbod op stemrecht voor alle veroordeelde gedetineerden (zonder rekening te houden met de aard of ernst van het misdrijf) schendt het recht op vrije verkiezingen.

Vereisten voor toiletten en sanitaire voorzieningen. 

In de bron Guide on the case-law of the European Convention on Human Rights – Prisoners’ rights wordt uitdrukkelijk ingegaan op de vereisten voor toiletten en sanitaire voorzieningen in cellen:

  1. Eis van menselijke waardigheid en privacy (Artikel 8 EVRM)
    Gerede toegang tot hygiënische en goed uitgeruste sanitaire voorzieningen is volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) essentieel voor de menselijke waardigheid. Het ontbreken van behoorlijke toegang tot toiletvoorzieningen vormt een schending van de verplichting van de overheid om een minimum aan privacy te waarborgen onder artikel 8 EVRM.
  2. Afscheiding en privacy van het toilet in de cel
    Het EHRM heeft in meerdere zaken geoordeeld over situaties waarin een toiletpot open in de hoek van de cel stond zonder afscheiding van het leefgedeelte, of slechts was afgeschermd met een enkel tussenschotje van 1 tot 1,5 meter hoog.
    • Geen privacy: Dit is niet alleen uit hygiënisch oogpunt bezwaarlijk, maar ontneemt de gedetineerde elke privacy omdat hij op het toilet volledig in het zicht blijft van celgenoten én van bewakers die door het spionnetje (kijkgat) kijken.
    • Verzwarende omstandigheid: Dit gebrek aan privacy weegt extra zwaar bij overbevolking of wanneer een gedetineerde kampt met een specifieke medische aandoening.
  3. Beoordeling van de celruimte (Artikel 3 EVRM)
    Wanneer een gedetineerde in een meerpersoonscel tussen de 3 m² en 4 m² persoonlijke ruimte heeft, is de mogelijkheid om het toilet in privacy te gebruiken een zwaarwegende factor om te beoordelen of er sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling onder artikel 3 EVRM.
  4. Berekening van het celoppervlak
    Bij het berekenen van het minimale persoonlijke celoppervlak per gedetineerde in een meerpersoonscel wordt de sanitaire ruimte in de cel uitgesloten van de berekening van het totale vloeroppervlak.

Vervoer van gedetineerden.

In de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) valt het vervoer van gedetineerden voornamelijk onder Artikel 3 EVRM (het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling).

De belangrijkste regels en normen over het transport van gedetineerden per celwagen of trein zijn als volgt ingedeeld:

1. Beschikbare Ruimte (De 0,5 m²-regel)

  • Sterk vermoeden van schending: Er ontstaat een sterk vermoeden van een schending van Artikel 3 EVRM wanneer gedetineerden worden vervoerd in voertuigen waar zij minder dan 0,5 m² vloeroppervlakte per persoon ter beschikking hebben. In sommige zaken hadden gedetineerden slechts 0,25 m².
  • Oorzaak van de krapte maakt niet uit: Het maakt voor het Hof niet uit of de krappe omstandigheden het gevolg zijn van overbevolking (te veel gedetineerden tegelijk vervoerd) of van het krappe ontwerp van de afzonderlijke cabines of compartimenten (cubicles).

2. Hoogte en Zithouding

  • Een plafondhoogte van bijvoorbeeld 1,6 meter is onvoldoende voor een persoon van normale lengte om rechtop te staan of in te stappen zonder te bukken.
  • Het EHRM merkt op dat een lage plafondhoogte — zeker in eenpersoonscabines — gedetineerden dwingt om continu gebogen te zitten, wat fysieke vermoeidheid en pijn verergert.

3. Klimaat en Ventilatie

  • Onvoldoende ventilatie op hete dagen of het ontbreken van verwarming wanneer het voertuig stilstaat met een uitgezette motor, gelden als belangrijke verzwarende omstandigheden bij de beoordeling.

4. Duur en Frequentie van de Ritten

  • Incidentele ritten: Het sterke vermoeden van een schending kan in beginsel alleen worden weerlegd als het gaat om een zeer korte of incidentele rit (bijvoorbeeld een eenmalige rit van 20 tot 30 minuten).
  • Langdurig of frequent vervoer: De schadelijke effecten van overbevolking en krapte nemen toe naarmate de ritten langer duren of met een hogere frequentie plaatsvinden (bijvoorbeeld wanneer iemand tientallen of honderden keren onder zulke omstandigheden is vervoerd).

5. Veiligheidsvoorzieningen (Gordels)

  • Het ontbreken van een veiligheidsgordel leidt op zichzelf niet automatisch tot een schending van Artikel 3 EVRM.
  • Het ontbreken van gordels of handvatten levert echter wél een probleem op in combinatie met bijzondere omstandigheden, zoals bij het vervoer van een patiënt met een dwarslaesie wiens rolstoel niet werd vastgezet in een rijdend voertuig, of het transport van een pas geopereerde patiënt op een brancard in een niet-aangepaste bus.

6. Transport per Trein (Lange afstanden)

  • Bij vervoer per trein over lange afstanden (van 12 uur tot meerdere dagen) hanteert het EHRM normen die vergelijkbaar zijn met die voor vaste detentie-inrichtingen.
  • Het is onverenigbaar met Artikel 3 EVRM als gedetineerden hun nachtrust moeten missen door een gebrek aan slaapplaatsen.
  • Het ontbreken van een eigen slaapplek, onvoldoende drinkwater of eten, en gebrek aan toegang tot het toilet verergeren de situatie tijdens lange ritten ernstig.

7. Omvattende Beoordeling

  • Het Hof benadrukt dat de beoordeling van transportomstandigheden niet kan worden gereduceerd tot een louter cijfermatige berekening van de beschikbare ruimte. Er moet steeds worden gekeken naar het cumulatieve effect van alle specifieke omstandigheden in hun geheel.

  

woensdag 23 september 2026

Boek 7 - bijzondere contracten - samenvatting AI

Bron

Titel 2 “Koop en ruil” van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (art. 7.2.1 t/m art. 7.2.69) vormt het vernieuwde, algemene wettelijke kader voor verkoop- en ruilovereenkomsten in België.

Ondertitel 1. Definities en toepassingsgebied (art. 7.2.1 – 7.2.3)

  • Definitie van Koop (art. 7.2.1): Een koop is een contract waarbij de verkoper zich verbindt om de eigendom van een goed over te dragen aan de koper, die op zijn beurt een prijs in geld betaalt. Deze regels zijn eveneens van toepassing wanneer een zakelijk gebruiksrecht (zoals een vruchtgebruik of erfpacht) tegen een geldprijs wordt gevestigd.

  • Afbakening: Koop of Dienstencontract/Aanneming (art. 7.2.2): Het maken, bouwen of voortbrengen van een goed voor een klant tegen betaling is in beginsel een koop. Het wordt echter gekwalificeerd als een dienstencontract (aanneming) indien:

    1. De klant zelf een wezenlijk deel van de benodigde grondstoffen levert; of
    2. Het goed specifiek op maat volgens de individuele behoeften van de klant wordt gemaakt (tenzij het slechts gaat om gestandaardiseerde opties of aanpassingen van een standaardproduct).
    • Uitzondering voor vastgoed: Een contract waarbij iemand zich verbindt om een onroerend bouwwerk te bouwen, te verbouwen of af te breken én tegelijk de grond of het volume overdraagt, blijft altijd een koop (bv. verkoop op plan).
  • Definitie van Ruil (art. 7.2.3): Ruil is een overeenkomst waarbij partijen over en weer goederen (of zakelijke gebruiksrechten) aan elkaar overdragen. Voor het goed dat een partij geeft, wordt zij als verkoper beschouwd; voor het goed dat zij ontvangt, als koper. Alle algemene regels van de koop zijn analoog van toepassing op de ruil.


Ondertitel 2. Geldigheidsvereisten (art. 7.2.4 – 7.2.10)

1. Bekwaamheid en beroepsverboden (art. 7.2.4 – 7.2.5)

  • Openbare en ministeriële ambtenaren: Mogen op straffe van absolute nietigheid en schadevergoeding geen goederen kopen die door hun eigen ambt of tussenkomst worden verkocht.
  • Betwiste rechten: Magistraten, advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders en griffiers mogen geen betwiste rechten (rechten waarover een rechtszaak loopt) kopen wanneer de zaak aanhangig is voor hun rechtbank of wanneer zij er uit hoofde van hun functie kennis van hebben genomen.

2. Benadeling bij verkoop van een onroerend goed (art. 7.2.6 – 7.2.10)

  • Het principe (art. 7.2.6): Als een verkoper een onroerend goed (zoals een woning of grond) verkoopt tegen een prijs die lager is dan 40% van de normale verkoopwaarde (m.a.w. een benadeling van meer dan 7/12e), is de verkoop relatief nietig.
  • Beoordeling en termijn (art. 7.2.7 – 7.2.8): De benadeling wordt beoordeeld op de dag van de koop (of de verkoopbelofte). De verkoper moet de vordering instellen binnen een strenge vervaltermijn van 2 jaar.
  • Aanvullende prijs (art. 7.2.9): De koper kan de vernietiging van de verkoop afwenden door de prijs aan te vullen tot 90% van de normale verkoopwaarde op de dag van de verkoop, vermeerderd met de wettelijke interesten.
  • Uitsluitingen (art. 7.2.10): Benadeling geldt niet bij gerechtelijke verkopen (bv. gedwongen openbare verkopen) en niet bij ruil.

Ondertitel 3. Modaliteiten van de koop (art. 7.2.11 – 7.2.12)

  • Koop op proef (art. 7.2.11): Dit is een koop onder de opschortende voorwaarde dat de koper de proef bevredigend vindt. Het testen of proefgebruik van het goed wordt vermoed kosteloos te zijn.
  • Koop met beding van wederinkoop / Réméré (art. 7.2.12): De verkoper behoudt zich het recht voor om het verkochte goed gedurende een bepaalde periode terug te kopen tegen terugbetaling van de prijs. Deze termijn mag maximaal 10 jaar bedragen (dit is van openbare orde; langere termijnen worden automatisch herleid tot 10 jaar).

Ondertitel 4. Verbintenissen van de koper (art. 7.2.13 – 7.2.16)

De koper heeft twee hoofdverplichtingen:

  1. Betaling van de prijs en kosten (art. 7.2.14 – 7.2.15): De betaling gebeurt op de plaats en het tijdstip van de levering. Brengt het goed intussen vruchten op (bv. huurinkomsten), dan is de koper interest verschuldigd op de koopprijs vanaf de levering. Bij de verkoop van een onroerend goed vallen de kosten van de authentieke akte, de overschrijving en het notarisereloon ten laste van de koper.
  2. Inontvangstneming van het goed (art. 7.2.16): De koper moet het goed fysiek of juridisch in ontvangst nemen (afhalen/ontvangen) op de overeengekomen plaats en tijd.

Ondertitel 5. Verbintenissen van de verkoper (art. 7.2.17 – 7.2.69)

De verkoper heeft drie fundamentele verplichtingen (art. 7.2.17):

  1. Overdragen van de eigendom en de bijhorigheden (accessoria);
  2. Vrijwaren voor uitwinning;
  3. Conform leveren van het goed.

Hoofdstuk 2. Eigendomsoverdracht en Risico-overgang (art. 7.2.18 – 7.2.19)

  • Eigendomsoverdracht & Verkoop van andermans goed (art. 7.2.18): De verkoop van een goed dat aan iemand anders toebehoort, leidt niet langer automatisch tot de nietigheid van het contract. Het geeft de koper simpelweg recht op vrijwaring voor uitwinning door de werkelijke eigenaar.
  • Risico-overgang (art. 7.2.19):
    • Nieuwe hoofdregel: Het risico van beschadiging of tenietgaan door overmacht gaat niet langer over bij het sluiten van het contract, maar pas bij de feitelijke levering van het goed. Als het goed voor de levering door overmacht vernietigd wordt, vervalt de betalingsverplichting van de koper.
    • Consumentenverzending: Wanneer een onderneming een goed opstuurt naar een consument, gaat het risico pas over op het moment dat de consument (of een door hem aangeduide derde) het goed fysiek in bezit neemt. (Uitzondering: als de consument zelf een eigen transporteur heeft ingeschakeld die niet door de verkoper werd voorgesteld).

Hoofdstuk 3. Vrijwaring voor uitwinning (art. 7.2.20 – 7.2.25)

Uitwinning betekent dat de koper het rustig genot of bezit van het goed verliest door aanspraken van de verkoper zelf of van derden.

  • Uitwinning door eigen daad (art. 7.2.20, §2): De verkoper mag de koper na de verkoop op geen enkele wijze stoornissen berokkenen of het goed terugeisen ("wie moet vrijwaren, kan niet uitwinnen"). Dit verweer van de koper is onverjaarbaar (art. 7.2.22). Elk contractueel beding dat de verkoper van deze vrijwaring voor eigen daad bevrijdt, wordt voor niet-geschreven gehouden (art. 7.2.24).
  • Uitwinning door daden van derden (art. 7.2.20, §3): De verkoper staat in voor juridische claims van derden op het goed waarvan de oorsprong voor de eigendomsoverdracht ligt (bv. een niet-gemelde hypotheek of eigendomsclaim).
  • Gerechtelijke tussenkomst (art. 7.2.23): Wordt de koper door een derde voor de rechter gedaagd, dan moet hij de verkoper in de zaak roepen om hem te verdedigen.

Hoofdstuk 4. Conforme levering (art. 7.2.26 – 7.2.69)

A. Algemene/Gemeenrechtelijke regels (art. 7.2.26 – 7.2.37)
  • Inhoud conforme levering (art. 7.2.26 – 7.2.28): Omvat de overhandiging van het goed zelf, de toebehoren (verpakking, handleidingen, installatie-instructies) en de conformiteitsgarantie. De levering moet onverwijld gebeuren. Bij vastgoed vallen wettelijke opzoekings- en attestkosten (bv. bodemattest, EPC) ten laste van de verkoper.
  • Wanneer is een goed conform? (art. 7.2.30): Een goed is conform als het beantwoordt aan de contractuele afspraken én aan wat de koper redelijkerwijze mag verwachten (gelet op de aard van het goed, de verwachte levensduur, het gebruikelijke doel en de goede trouw). De verkoper staat in voor elk gebrek dat minstens in de kiem aanwezig was op het moment van levering.
  • Termijnen in het gemeen recht:
    • Vrijwaringstermijn (art. 7.2.32): Geldt voor gebreken die aan het licht komen binnen 10 jaar na levering.
    • Kennisgevingstermijn (art. 7.2.33): De koper moet het gebrek melden binnen een redelijke termijn na de ontdekking (of na het moment waarop hij het behoorde te ontdekken).
    • Verjarings- en absolute vervaltermijn (art. 7.2.34): De vordering verjaart 2 jaar na de kennisgeving, en het recht vervalt in ieder geval definitief 10 jaar en 3 maanden na levering.

B. Specifieke consumentengarantie B2C (art. 7.2.38 – 7.2.69)

Deze afdeling bevat dwingend recht ter bescherming van de consument bij aankopen bij een onderneming.

  1. Toepassingsgebied (art. 7.2.38 – 7.2.41): Geldt voor de B2C-verkoop van consumptiegoederen (roerende lichamelijke zaken), goederen met digitale elementen, digitale producten/diensten (ook wanneer hiervoor met persoonsgegevens wordt betaald) en huisdieren.

  2. Bijzondere conformiteitsregels (art. 7.2.42 – 7.2.46):

    • Het goed moet voldoen aan de afspraken en publieke uitspraken/reclame van de verkoper of producent.
    • Digitale updates (art. 7.2.44): Bij digitale producten en goederen met digitale elementen (bv. smart-tv) is de verkoper verplicht om gedurende de verwachte periode (of minstens 2 jaar bij continue levering) de nodige beveiligings- en functionaliteitsupdates te verstrekken.
    • Huisdieren (art. 7.2.43): Moeten vrij zijn van infectieziekten en aangeboren afwijkingen, voorzien zijn van de wettelijke vaccinaties en geleverd worden met de nodige verzorgings- en voedingsinstructies.
  3. Vermoeden van gebrek / Bewijslast (art. 7.2.47 – 7.2.49):

    • Consumptiegoederen: Gebreken die aan het licht komen binnen 2 jaar vanaf levering worden wettelijk vermoed al bij de levering te hebben bestaan. (Bij tweedehandsgoederen kan dit contractueel worden beperkt tot minimaal 1 jaar, mits dit uitdrukkelijk is gemeld).
    • Huisdieren & Digitale producten: Het wettelijk vermoeden geldt voor gebreken die aan het licht komen binnen 1 jaar vanaf levering.
  4. Garantietermijnen en de unieke verlenging (art. 7.2.50 – 7.2.52):

    • Wettelijke garantietermijn: 2 jaar vanaf levering (1 jaar voor huisdieren, tenzij de kweker/verkoper wettelijke vergunnings- of quarantaineregels overtrad, dan wordt het 2 jaar).
    • Unieke verlenging bij herstelling (art. 7.2.50, §1): Als de consument bij een gebrek kiest voor herstelling van het consumptiegoed, wordt de wettelijke garantietermijn eenmalig met 1 jaar verlengd!
    • Kennisgeving: Bij consumptiegoederen heeft de consument een vaste kennisgevingstermijn van 2 maanden vanaf de ontdekking van het gebrek (art. 7.2.51).
  5. Sancties en herstelregeling (art. 7.2.53 – 7.2.61):

    • Primaire sancties (art. 7.2.54): De consument heeft in eerste instantie recht op kosteloze herstelling of vervanging (de keuze ligt bij de consument voor goederen/huisdieren, en bij de onderneming voor digitale producten).
    • Bijzondere regel voor medische kosten bij huisdieren (art. 7.2.56): De kosten voor behandeling/genezing van een ziekelijk huisdier die de verkoper moet dragen, zijn wettelijk geplafonneerd op een percentage van de aankoopprijs (300% op de schijf tot € 500; 200% tussen € 500 en € 1500; 100% boven € 1500), tenzij de verkoper te kwader trouw was. Bij dringende medische noodzaak mag de consument rechtstreeks een eigen dierenarts raadplegen.
    • Subsidiaire sancties (art. 7.2.57): Pas als herstel of vervanging mislukt, onmogelijk is, geweigerd wordt of te lang duurt, heeft de consument recht op prijsvermindering of de gehele ontbinding (terugbetaling) van de koop.
    • Regresrecht van de verkoper (art. 7.2.61): De verkoper die de consument moet vergoeden voor een fabricage- of kwaliteitsfout, behoudt een contractuele vordering (regres) tegen de fabrikant of eerdere leverancier in de contractketen.
  6. Commerciële en Duurzaamheidsgaranties (art. 7.2.63 – 7.2.69):

    • Een commerciële garantie is een vrijwillige aanvullende belofte bovenop de wettelijke garantie. Zij is juridisch bindend onder de voorwaarden van het garantiebewijs of de reclame (de voor de consument meest gunstige voorwaarden hebben voorrang).
    • Commerciële duurzaamheidsgarantie (art. 7.2.69): Als een producent een commerciële garantie op de duurzaamheid van een goed biedt, wordt de producent rechtstreeks aansprakelijk tegenover de consument voor herstel of vervanging gedurende de gehele toegezegde duurzaamheidsperiode.

Titel 3 “Huur en bruikleen” van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (art. 7.3.1 t/m art. 7.3.46) vormt het vernieuwde algemene kader voor het tijdelijke gebruik en genot van goederen, zowel onder bezwarende titel (huur) als ten kosteloze titel (bruikleen).

Ondertitel 1. Huur (art. 7.3.1 – art. 7.3.39)

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

  • Definitie van huur (art. 7.3.1): Huur is een contract waarbij de verhuurder zich verbindt om aan de huurder tijdelijk het gebruik en genot van een goed te verlenen tegen de betaling van een prijs.
    • Onderscheid met bezetting ter bede: Een overeenkomst waarbij iemand tegen betaling het precaire (herroepbare) gebruik en genot van een onroerend goed krijgt, is geen huur maar een bezetting ter bede, mits het precaire karakter door legitieme redenen is gerechtvaardigd.
  • Vorm en identificatieplicht (art. 7.3.2): Wanneer een huurcontract voor een onroerend goed schriftelijk wordt gesloten, moet het verplicht de juiste identificatiegegevens bevatten:
    • Natuurlijke personen: De eerste twee voornamen, naam, woonplaats, geboortedatum en geboorteplaats.
    • Rechtspersonen en maatschappen: De naam, de maatschappelijke zetel en het KBO-ondernemingsnummer.
    • Sanctie: De partij die haar ondernemingsnummer niet vermeldt of bevestigt, draagt zelf de juridische gevolgen van het gebrek aan registratie van het huurcontract.

Hoofdstuk 2. Verbintenissen van de verhuurder

De verhuurder heeft drie hoofdverplichtingen (art. 7.3.3):

  1. Het goed conform leveren en in die staat houden;
  2. Het nodige onderhoud en de herstellingen uitvoeren;
  3. De huurder vrijwaren voor uitwinning door eigen daad en door daden van derden.
1. Conforme levering, onderhoud en herstellingen (art. 7.3.4 – art. 7.3.9)
  • Inhoud van de levering (art. 7.3.4 – 7.3.5): De levering veronderstelt de materiële, symbolische of intellectuele overhandiging (zoals het overhandigen van sleutels of toegangscodes) én het daadwerkelijk verschaffen van het gebruik en genot gedurende de gehele huurtijd, inclusief alle toebehoren (accessoria).
  • Conformiteitsbegrip (art. 7.3.6): Het goed is conform wanneer het een gebruik en genot toelaat dat beantwoordt aan de overeenkomst en aan wat de huurder redelijkerwijze mag verwachten. De huurder mag verwachten dat het goed in goede staat wordt geleverd.
  • Onderhoudsplicht van de verhuurder (art. 7.3.6, §2): Om het goed tijdens de gehele huurperiode conform te houden, moet de verhuurder al het nodige onderhoud en alle grote herstellingen uitvoeren.
  • Aansprakelijkheid van de verhuurder (art. 7.3.6, §3): De verhuurder staat in voor elk conformiteitsgebrek, zelfs als hij er geen kennis van kon hebben en zelfs als het gebrek is veroorzaakt door overmacht.
  • Kennisgevingstermijn bij gebreken (art. 7.3.7): De huurder moet een conformiteitsgebrek binnen een redelijke termijn melden na ontdekking. Meldt hij dit niet tijdig, dan behoudt hij wel het recht om herstel voor de toekomst te eisen, maar verliest hij zijn recht op schadevergoeding voor reeds geleden genotsderving en moet hij de schade vergoeden die door zijn nalatigheid is ontstaan.
  • Verjaringstermijn (art. 7.3.8): Een vordering wegens een conformiteitsgebrek verjaart 2 jaar na het einde van het huurcontract. Een vordering tot vergoeding voor geleden genotsderving verjaart 2 jaar na de kennisgeving van het gebrek.
  • Dringende uitgaven (art. 7.3.9): Als de huurder wegens dringende noodzaak zelf uitgaven heeft moeten doen die eigenlijk ten laste van de verhuurder vallen, is de verhuurder verplicht deze terug te betalen.
2. Vergoeding voor inrichtings- en veranderingswerken (art. 7.3.10)

Wanneer het huurcontract eindigt, vergoedt de verhuurder de huurder op grond van de regels van de ongerechtvaardigde verrijking voor:

  1. Verwijderbare inrichtings- of veranderingswerken die de verhuurder kiest te behouden;
  2. Niet-verwijderbare inrichtings- of veranderingswerken die door de verhuurder vooraf waren toegelaten.
  • Niet-toegelaten werken: Niet-toegelaten niet-verwijderbare werken worden nooit vergoed.
3. Vrijwaring voor uitwinning (art. 7.3.11 – art. 7.3.14)
  • Vrijwaring voor eigen daad (art. 7.3.11, §2): De verhuurder mag het gebruik en genot van de huurder op geen enkele wijze verstoren of juridisch aanvechten. Deze bescherming is onverjaarbaar (art. 7.3.12) en bevrijdingsbedingen ten voordele van de verhuurder worden voor niet-geschreven gehouden (art. 7.3.14).
  • Vrijwaring voor daden van derden (art. 7.3.11, §3): De verhuurder staat in voor actuele juridische claims van derden op het verhuurde goed.
  • Tussenkomst in rechte (art. 7.3.13): Wordt de huurder door een derde voor de rechter gedaagd, dan moet hij de verhuurder in de zaak roepen.
4. Sancties (art. 7.3.15)

Als de verhuurder zijn verplichtingen niet nakomt, kan de huurder gebruikmaken van de algemene contractuele sancties. Ontstond het gebrek na de overhandiging buiten de fout van de verhuurder, dan kan geen aanvullende schadevergoeding worden geëist. De huurder kan de nietigheid wegens dwaling niet inroepen bij een conformiteitsgebrek.


Hoofdstuk 3. Verbintenissen van de huurder

De huurder heeft vier hoofdverplichtingen (art. 7.3.16):

  1. Betalen van de huurprijs en de kosten;
  2. Gebruiken als voorzichtig en redelijk persoon, reinigen en klein onderhoud/herstellingen uitvoeren;
  3. Stofferen van het onroerend goed of zekerheden verschaffen;
  4. Teruggeven van het goed bij het einde van de huur.
1. Betaling, indexering en kosten (art. 7.3.17 – art. 7.3.20)
  • Indexering van de huurprijs (art. 7.3.18):
    • Hoofdregel: De huurprijs wordt niet automatisch geïndexeerd, tenzij dit uitdrukkelijk en schriftelijk is overeengekomen.
    • Onroerende huur: Indexering op basis van de gezondheidsindex mag slechts één keer per huurjaar plaatsvinden, ten vroegste op de verjaardag van het contract.
    • Verjaring: De vordering tot betaling van de indexering verjaart na 1 jaar. Deze regeling is van dwingend recht ten voordele van de huurder.
  • Kosten en lasten (art. 7.3.19): De huurder draagt de werkelijke verbruikskosten. Bij onroerende huur moeten alle aangerekende kosten en belastingen overeenstemmen met de werkelijke uitgaven (tenzij een forfait is afgesproken) en gedetailleerd op een afzonderlijke rekening worden verantwoord. Dwingend ten voordele van de huurder.
  • Verjaring huur/kosten (art. 7.3.20): De vordering tot betaling van huur/kosten én de vordering tot terugbetaling van onverschuldigde betalingen verjaren na 5 jaar.
2. Gebruik, onderhoud en herstellingen (art. 7.3.21 – art. 7.3.24)
  • Bestemming en inrichtingswerken (art. 7.3.21): De huurder mag de bestemming van het goed niet eenzijdig wijzigen. Hij mag wel bestemmingsconforme inrichtingswerken uitvoeren die zonder schade verwijderbaar zijn; bij het einde van de huur moet hij deze verwijderen, tenzij de verhuurder ze wil behouden.
  • Klein onderhoud en kleine herstellingen (art. 7.3.22 – 7.3.23): De huurder staat in voor regelmatig reinigen, klein onderhoud, kleine herstellingen en herstellingen door eigen verkeerd gebruik of gebrek aan onderhoud. Herstellingen door normale slijtage, ouderdom of overmacht blijven ten laste van de verhuurder.
  • Dringende herstellingen (art. 7.3.24): Dringende herstellingen die niet kunnen wachten, moet de huurder gedogen. Duren de werken bij onroerende huur langer dan 40 dagen, dan heeft de huurder vanaf de eerste dag van de werken recht op een evenredige vermindering van de huurprijs.
3. Teruggave en plaatsbeschrijving (art. 7.3.25 – art. 7.3.27)
  • Staat bij teruggave (art. 7.3.25): De huurder moet het goed teruggeven in de staat waarin hij het heeft ontvangen, behalve normale slijtage, ouderdom of overmacht. Hij is aansprakelijk voor beschadigingen (inclusief brand en schade door derden die hij heeft toegelaten), tenzij hij bewijst dat deze hem niet toerekenbaar zijn.
  • Aanvangsplaatsbeschrijving (art. 7.3.26 – 7.3.27): Bij onroerende huur is een tegensprekelijke omstandige aanvangsplaatsbeschrijving voor gezamenlijke rekening verplicht binnen de maand na levering. Is er geen aanvangsplaatsbeschrijving opgemaakt, dan geldt het wettelijk vermoeden dat de huurder het goed heeft ontvangen in de staat waarin het zich bij vertrek bevindt. Bij geschil kan de vrederechter een deskundige aanstellen. Dwingend voor beide partijen.
4. Stoffering en Zekerheid (art. 7.3.28 – art. 7.3.30)
  • Stoffering (art. 7.3.28): De huurder van een onroerend goed moet het pand stofferen met meubelen/goederen ter waarde van minstens 3 maanden huur of voldoende zekerheid stellen.
  • Wederverhuringsvergoeding (art. 7.3.30): Wordt het huurcontract ontbonden ten laste van de huurder, dan wordt de schade van de verhuurder vermoed overeen te stemmen met de huurprijs voor de tijd die redelijkerwijs nodig is om het goed opnieuw te verhuren.

Hoofdstuk 4. Duur en tenietgaan van de huur (art. 7.3.31 – art. 7.3.37)

  • Bepaalde vs. Onbepaalde duur (art. 7.3.31 – 7.3.33):
    • Bepaalde duur: Eindigt automatisch bij het verstrijken van de termijn (geen opzegging vereist).
    • Onbepaalde duur: Te allen tijde opzegbaar mits een redelijke termijn. Bij onroerende huur bedraagt deze opzegtermijn 1 maand (ingaand op de eerste dag van de volgende maand).
    • Mondelinge huur: Wordt wettelijk vermoed te zijn gesloten voor onbepaalde duur.
  • Stilzwijgende huurhernieuwing (art. 7.3.34): Blijft de huurder na het verstrijken van de duur in het goed zonder verzet van de verhuurder, dan ontstaat een nieuw contract tegen dezelfde voorwaarden en voor dezelfde duur.
  • Tenietgaan door overmacht (art. 7.3.35): Geheel tenietgaan van het goed beëindigt de huur van rechtswege. Gedeeltelijk tenietgaan geeft de huurder recht op prijsvermindering of ontbinding (zonder schadevergoeding).
  • Uitsluiting van buitengerechtelijke nietigheid en ontbinding (art. 7.3.36 – 7.3.37): Bij onroerende huur is nietigheid via schriftelijke kennisgeving uitgesloten. Uitdrukkelijke ontbindende bedingen (lex commissoria) worden voor niet-geschreven gehouden en buitengerechtelijke ontbinding via enkele schriftelijke kennisgeving is verboden (dwingend recht voor beide partijen).

Hoofdstuk 5. Onderhuur, huuroverdracht en verkoop van het pand (art. 7.3.38 – art. 7.3.39)

  • Onderhuur en overdracht (art. 7.3.38): De huurder heeft in het gemeen recht het recht om onder te verhuren of zijn huur over te dragen (aanvullend recht).
  • Vervreemding van het onroerend goed / Verkoop (art. 7.3.39): Heeft het huurcontract een vaste datum van vóór de verkoop akte, dan treedt de nieuwe eigenaar/koper volledig in de rechten en plichten van de verhuurder. De koper kan de huurder niet zomaar uitzetten, tenzij het contract dit uitdrukkelijk toeliet. In dat geval moet de koper handelen binnen 3 maanden na aankoop, met een opzegtermijn van 3 maanden en betaling van een uitzettingsvergoeding van 3 maanden huur.

Ondertitel 2. Bruikleen (art. 7.3.40 – art. 7.3.46)

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

  • Definitie van bruikleen / Commodaat (art. 7.3.40): Bruikleen is een contract waarbij de uitlener aan de ontlener het tijdelijk gebruik en genot verleent van een niet-vervangbaar goed ten kosteloze titel. Dat de ontlener de gewone gebruikskosten draagt, doet geen afbreuk aan het kosteloze karakter.
  • Toepassing van huurregels (art. 7.3.41): De algemene regels van de huur zijn analoog van toepassing op de bruikleen, met uitzondering van de regels over huurprijs, vormvereisten, plaatsbeschrijvingen, stoffering/zekerheden, wederverhuringsvergoeding, stilzwijgende hernieuwing, en de uitsluitingen van buitengerechtelijke ontbinding of bescherming bij verkoop.

Hoofdstuk 2. Specifieke regels voor bruikleen

  • Hoofdelijkheid bij meerdere ontleners (art. 7.3.42): Hebben meerdere personen samen een goed in bruikleen ontvangen, dan zijn zij hoofdelijk aansprakelijk tegenover de uitlener.
  • Matiging van schadeherstel (art. 7.3.43): De rechter kan het schadeherstel wegens nalatigheid van de uitlener matigen (tenzij het contract hoofdzakelijk in het belang van de uitlener werd gesloten).
  • Voortijdige beëindiging door dringende nood (art. 7.3.44): De uitlener kan de bruikleen zelfs voor het verstrijken van de duur beëindigen via een met redenen omklede kennisgeving als hij het goed dringend en onvoorzien zelf nodig heeft.
  • Automatisch tenietgaan (art. 7.3.45): De bruikleen eindigt van rechtswege bij overlijden, ontbinding van de rechtspersoon of insolvabiliteit van de ontlener.
  • Strikt persoonlijk karakter (art. 7.3.46): De ontlener moet het goed persoonlijk gebruiken. Het is hem uitdrukkelijk verboden om het goed op zijn beurt in bruikleen te geven, te verhuren of het bruikleencontract over te dragen.

Titel 4 “Dienstencontract” van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (art. 7.4.1 t/m art. 7.4.57) legt het algemene, moderniserende wettelijke kader vast voor alle overeenkomsten waarbij de ene partij zelfstandig een dienst of opdracht uitvoert voor een andere partij.

Hieronder vindt u een zeer uitvoerige en systematische bespreking van de drie ondertitels, verdeeld per hoofdstuk en thema, in heldere en begrijpelijke taal.


Ondertitel 1. Begrip en soorten dienstencontracten (art. 7.4.1 – art. 7.4.4)

  • Definitie van het dienstencontract (art. 7.4.1): Een dienstencontract is een overeenkomst waarbij de opdrachtnemer (dienstverlener) zich tegenover de opdrachtgever verbindt om een materiële of intellectuele opdracht uit te voeren. Cruciaal is dat de opdrachtnemer dit volledig zelfstandig doet, zonder dat er een band van ondergeschiktheid bestaat (wat het onderscheidt van een arbeidsovereenkomst).
    • Vergoeding: Het contract kan onder bezwarende titel (tegen betaling) of ten kosteloze titel worden gesloten. Bij betaling kan de prijs bestaan uit geld of uit het leveren van een tegenprestatie/dienst.
  • Drie hoofdcategorieën van dienstencontracten (art. 7.4.2):
    1. Lastgeving (Mandaat): Een dienstencontract dat hoofdzakelijk strekt tot het verrichten van een rechtshandeling voor rekening van de opdrachtgever (lastgever).
    2. Bewaargeving: Een dienstencontract dat hoofdzakelijk strekt tot de bewaring van een goed.
    3. Aanneming: De verzamelnaam voor alle andere dienstencontracten (materiële of intellectuele opdrachten zoals IT-diensten, advies, of bouwwerken). Bij bouwwerken noemt men de opdrachtnemer de aannemer en de opdrachtgever de bouwheer.
  • Vermoeden van betaling (art. 7.4.3): Wanneer de opdrachtnemer een onderneming is, wordt het contract wettelijk vermoed onder bezwarende titel (tegen betaling) te zijn gesloten.
  • Levenslange verbintenis (art. 7.4.4): Een dienstencontract dat wordt gesloten voor de duur van het professionele leven van de dienstverlener, wordt wettelijk geacht te zijn gesloten voor onbepaalde duur (en is dus te allen tijde opzegbaar).

Ondertitel 2. Algemene regels voor alle dienstencontracten (art. 7.4.5 – art. 7.4.33)

1. Wederzijdse samenwerking en instructies (art. 7.4.5)

  • Samenwerkingsplicht: Beide partijen moeten te goeder trouw samenwerken. De opdrachtgever verstrekt de nodige instructies, informatie, vergunningen en toegang.
  • Informatie en instructies: De dienstverlener geeft op zijn beurt alle nodige informatie over de voortgang. Hij moet de instructies van de opdrachtgever opvolgen, maar behoudt zijn professionele onafhankelijkheid.
  • Weigeringsrecht bij verkeerde instructies: Als de instructies van de opdrachtgever ongeschikt of kennelijk onredelijk zijn, heeft de dienstverlener het recht om de uitvoering ervan te weigeren of vooraf uitdrukkelijk voorbehoud te maken.

2. Verbintenissen van de opdrachtgever (art. 7.4.6 – art. 7.4.11)

  • Hoofdverplichtingen (art. 7.4.6): Betalen van de prijs en kosten, aanvaarden en in ontvangst nemen van het resultaat, en coördineren van de verschillende dienstverleners.
  • Prijs en onvoorziene kosten (art. 7.4.7 – art. 7.4.8):
    • De prijs wordt betaald bij de levering en vermoedelijk zijn alle uitvoerings- en bewaarkosten daarin inbegrepen.
    • Forfaitaire prijs: Bij een vast afgesproken totaalprijs kan de dienstverlener geen prijsverhoging eisen, zelfs niet als de opdracht meer werk heeft gekost dan voorzien.
    • Heronderhandeling bij ongekende omstandigheden (Imprevisie - art. 7.4.8): Indien reeds vooraf bestaande omstandigheden die redelijkerwijze niet kenbaar waren de uitvoering buitengewoon en buitensporig bezwarend maken, kan de dienstverlener heronderhandeling vragen. Mislukken de onderhandelingen, dan kan de rechter het contract aanpassen of beëindigen.
  • Aanvaarding en inontvangstname (art. 7.4.9):
    • Aanvaarding is het moment waarop de opdrachtgever goedkeurt dat de opdracht conform is.
    • Gevolgen van aanvaarding zonder voorbehoud: Het aanvaarden van de opdracht zonder voorbehoud dekt alle zichtbare gebreken en conformiteitsgebreken die een opmerzaam mens bij een nauwlettend onderzoek had kunnen vaststellen.

3. Verbintenissen van de opdrachtnemer (art. 7.4.12 – art. 7.4.29)

  • Conforme uitvoering (art. 7.4.12 & art. 7.4.15): De dienstverlener moet de opdracht uitvoeren volgens het contract en volgens wat de opdrachtgever redelijkerwijze mag verwachten (gelet op de stand van de techniek, de regels van het vak en de goede trouw).
  • Garantie- en verjaringstermijnen bij dienstencontracten:
    • Vrijwaringstermijn (art. 7.4.17): De dienstverlener staat in voor conformiteitsgebreken die aan het licht komen binnen 10 jaar na de aanvaarding van de afgewerkte opdracht.
    • Kennisgevingstermijn (art. 7.4.18): De opdrachtgever moet een gebrek binnen een redelijke termijn na de ontdekking schriftelijk melden.
    • Verjaring (art. 7.4.19): De rechtsvordering verjaart na 2 jaar vanaf de kennisgeving en het recht vervalt definitief 10 jaar en 3 maanden na de aanvaarding.
  • Bewaring en verbod op gebruik (art. 7.4.22 – art. 7.4.23): Goederen die de opdrachtgever toevertrouwt aan de dienstverlener moeten zorgvuldig bewaard worden; de dienstverlener mag deze goederen niet voor zichzelf gebruiken of de inhoud ervan onderzoeken, tenzij dit noodzakelijk is voor de opdracht.
  • Eigendomsoverdracht en risico-overgang (art. 7.4.24 – art. 7.4.25):
    • Bij het maken van een nieuw goed gaat de eigendom over bij de aanvaarding van de opdracht. Materialen die in een bestaand goed van de klant worden verwerkt (natrekking/incorporatie), worden meteen eigendom van de klant naarmate ze worden geïncorporeerd.
    • Het risico van beschadiging of verlies gaat over bij de levering.

4. Beroep op hulppersonen en de rechtstreekse vordering (art. 7.4.30 – art. 7.4.31)

  • Inschakelen van onderaannemers/hulppersonen (art. 7.4.30): Een dienstverlener mag in beginsel beroep doen op hulppersonen of onderaannemers, tenzij de opdracht een strikt persoonlijk karakter heeft.
  • Rechtstreekse vordering van de onderaannemer (art. 7.4.31): Als de hoofdaannemer/dienstverlener zijn onderaannemer of hulppersoon niet betaalt, krijgt de onderaannemer een rechtstreekse vordering tegen de bouwheer/opdrachtgever. Hij kan de gelden die de opdrachtgever nog aan de hoofdaannemer verschuldigd is, rechtstreeks opvorderen. Elk contractueel beding dat deze rechtstreekse vordering uitsluit of beperkt, wordt voor niet-geschreven gehouden.

5. Eenzijdige opzegging van het contract (art. 7.4.32 – art. 7.4.33)

  • Opzegging door de opdrachtgever (art. 7.4.32): De opdrachtgever heeft het recht om een dienstencontract van bepaalde duur te allen tijde eenzijdig op te zeggen. Hij moet de dienstverlener wel volledig vergoeden voor de al gemaakte kosten, geleverde prestaties, geleden verliezen en de gederfde winst.
  • Opzegging door de opdrachtnemer (art. 7.4.33): Een dienstverlener kan een betaald contract van bepaalde duur niet zomaar eenzijdig opzeggen. (Bij een kosteloos contract kan dit wel te allen tijde, mits eventuele schadevergoeding bij ontijdigheid).

Ondertitel 3. Bijzondere bepalingen voor specifieke dienstencontracten (art. 7.4.34 – art. 7.4.57)

Hoofdstuk 1. Lastgeving / Mandaat (art. 7.4.34 – art. 7.4.46)

  • Inhoud en omvang (art. 7.4.34): Lastgeving is een opdracht om rechtshandelingen te stellen voor rekening van de lastgever. Daden van beschikking (zoals het verkopen of hypothekeren van een pand) vereisen een uitdrukkelijk mandaat.
  • Plaatsvervanging (art. 7.4.35): De lasthebber mag zich laten vervangen door een derde, tenzij anders afgesproken. Is vervanging toegelaten, dan is de lasthebber enkel aansprakelijk voor een foutieve keuze van zijn plaatsvervanger.
  • Einde van de lastgeving (art. 7.4.37 – art. 7.4.40):
    • Lastgeving eindigt automatisch bij overlijden, faillissement, ontbinding of wilsonbekwaamheid/bewind van de lastgever of lasthebber.
    • Herroeping door de lastgever (art. 7.4.39): De lastgever kan de volmacht te allen tijde herroepen. Bijzondere regel: bij herroeping van een betaalde lastgeving is de lastgever niet verplicht de lasthebber te vergoeden voor diens gederfde winst (in afwijking van de algemene aannemingsregel).

Hoofdstuk 2. Hotelbewaargeving (art. 7.4.47 – art. 7.4.54)

  • Aansprakelijkheid van de hotelhouder (art. 7.4.47 – art. 7.4.48): De hotelhouder is wettelijk aansprakelijk voor beschadiging, vernieling of diefstal van zaken die de gast meebrengt naar het hotel.
  • Wettelijk plafond (art. 7.4.48, §1): De aansprakelijkheid van de hotelhouder is per schadegeval geplafonneerd tot maximaal 100 maal de logiesprijs per dag.
  • Onbeperkte aansprakelijkheid (art. 7.4.48, §2): De aansprakelijkheid is onbeperkt als:
    1. De goederen uitdrukkelijk in bewaargeving zijn afgegeven aan de receptie/hotelhouder;
    2. De hotelhouder weigerde waardevolle goederen/geld in bewaring te nemen die hij wettelijk verplicht was te aanvaarden;
    3. De schade het gevolg is van een fout van de hotelhouder of zijn personeel.
  • Uitsluitingen (art. 7.4.49 & art. 7.4.53): De hotelhouder is niet aansprakelijk bij gewapende overval, overmacht, of eigen schuld van de gast. Voertuigen en levende dieren vallen niet onder de hotelbewaargeving.

Hoofdstuk 3. Onroerende dienstencontracten & Bouwwerken (art. 7.4.55 – art. 7.4.57)

  • Toepassingsgebied (art. 7.4.55): Geldt voor alle contracten inzake de bouw, verbouwing, renovatie of afbraak van een onroerend bouwwerk, alsook voor intellectuele diensten in de bouw (zoals architecten en studiebureaus).
  • Voorlopige vs. Definitieve oplevering (art. 7.4.56):
    • De voorlopige oplevering geldt als de in ontvangst name (de feitelijke oplevering van het werk).
    • De definitieve oplevering geldt als de juridische aanvaarding van het bouwwerk.
  • Stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken / 10-jarige aansprakelijkheid (art. 7.4.57):
    • Aannemers, architecten en dienstverleners in de bouwrij op zijn 10 jaar aansprakelijk voor elk conformiteitsgebrek dat de stabiliteit of stevigheid van het bouwwerk aantast of dreigt aan te tasten (zelfs als dit te wijten is aan een gebrek in de grond).
    • Termijn: Het gebrek moet aan het licht komen binnen 10 jaar na de definitieve oplevering/aanvaarding; de vordering vervalt definitief na 10 jaar en 3 maanden.
    • Dwingend recht: Elk beding dat deze 10-jarige aansprakelijkheid voor stabiliteitsgebreken uitsluit of beperkt, is absoluut nietig.

Titels 5, 6 en 7 van Boek 7 (“Bijzondere contracten”) van het Burgerlijk Wetboek regelen de “overige” specifieke overeenkomsten. Hieronder worden deze drie titels artikel per artikel en thema per thema uitvoerig en in begrijpelijke taal besproken.


Titel 5. Lening van een vervangbaar goed

  • Status van Titel 5 (Voorbehouden): In het nieuw ingevoerde Boek 7 is Titel 5 uitdrukkelijk aangeduid als “Voorbehouden”. De wetgever heeft deze titel opengesteld om in de toekomst verdere specifieke regels over kredietovereenkomsten en verbruikleningen op te nemen.
  • Aanvullende verduidelijkingen inzake de lening: In de begeleidende wijzigingsbepalingen van de wet wordt de lening van verbruikbare zaken verduidelijkt als de lening van een zekere hoeveelheid vervangbare goederen. Wanneer het geleende goed verborgen gebreken vertoont die schade kunnen veroorzaken, is de uitlener aansprakelijk als hij die gebreken kende en de lener niet heeft gewaarschuwd.

Titel 6. Kanscontracten

Een kanscontract is een overeenkomst waarbij de kans op winst of verlies voor de partijen afhangt van een onzekere gebeurtenis.

Ondertitel 1. Spel en weddenschap (Art. 7.6.1)

  • Absoluut nietig (art. 7.6.1, §1): Spelen en weddenschappen zijn in beginsel absoluut nietig. De winnaar kan via de rechter geen betaling of uitvoering van een speelschuld of weddenschap afdwingen.
  • Uitzonderingen (art. 7.6.1, §2):
    1. Lichamelijke sporten: Spelen en weddenschappen die betrekking hebben op het trainen van het menselijk lichaam (zoals sporten en lichamelijke oefeningen) zijn wel geldig. De rechter kan een vordering tot betaling wel afwijzen of matigen als de inzet of winst buitensporig is.
    2. Wettelijk toegelaten kansspelen: Kansspelen die vergund en toegelaten zijn op grond van de Kansspelwet van 7 mei 1999 vallen eveneens buiten het algemene nietigheidsverbod.
  • Vrijwillige betaling (art. 7.6.1, §3): De verliezer die zijn speelschuld vrijwillig heeft betaald, kan dat geld achteraf niet terugvorderen, tenzij er van de kant van de winnaar of een derde sprake is geweest van bedrog, list of oplichting.

Ondertitel 2. Lijfrente (Art. 7.6.2 – 7.6.8)

1. Algemene bepalingen (Art. 7.6.2 – 7.6.3)
  • Definitie (art. 7.6.2): Een lijfrente is een contractuele of testamentaire afspraak waarbij de renteplichtige  zich verbindt om periodiek een som geld te betalen aan de rentegenieter tot aan het overlijden van deze laatste (of van een derde).
  • Verwerving naar rato van dagen (art. 7.6.3): De rente wordt verworven naar evenredigheid met het aantal dagen dat de persoon op wie de rente is gevestigd in leven is geweest. Is afgesproken dat de rente vooruitbetaald moet worden, dan blijven de reeds vervallen termijnen definitief verworven.
2. Lijfrente gevestigd onder bezwarende titel (Art. 7.6.4 – 7.6.6)
  • Tegenprestatie (art. 7.6.4): Een lijfrente kan worden gevestigd tegen betaling van een kapitaal, de overdracht van de eigendom van een goed (bv. de verkoop van een woning op lijfrente) of de vestiging van een zakelijk gebruiksrecht.
  • Vereiste van een echt kanselement (art. 7.6.5):
    • Elke partij moet verplicht een kans op winst en een risico op verlies hebben; ontbreekt dit, dan is het contract relatief nietig.
    • Ziekte binnen 3 maanden: Het kanselement wordt onweerlegbaar geacht te ontbreken (en het contract is relatief nietig) als de rente is gevestigd op het leven van iemand die al was aangetast door een ziekte waaraan hij binnen 3 maanden na de contractsluiting overlijdt.
    • Rente te laag: Het contract is eveneens relatief nietig als de afgesproken rente gelijk is aan of lager is dan de normale inkomsten/vruchten die de renteplichtige uit het overgedragen goed of kapitaal haalt.
  • Ontbinding bij niet-betaling (art. 7.6.6): Wordt het contract ontbonden omdat de renteplichtige niet betaalt, dan hoeft de rentegenieter de reeds ontvangen rentetermijnen in beginsel niet terug te betalen (tenzij de rechter dit behoud kennelijk onredelijk vindt).
3. Lijfrente gevestigd ten kosteloze titel (Art. 7.6.7 – 7.6.8)
  • Lijfrente ten behoeve van een derde (art. 7.6.7): Een lijfrente kan ten gunste van een derde worden gevestigd als schenking/gift. Zij hoeft niet te voldoen aan de strenge vormvereisten van een gewone schenking, maar valt wel onder de erfrechtelijke regels inzake inkorting.
  • Onbeslagbaarheid (art. 7.6.8): Een beding dat bepaalt dat de lijfrente onbeslagbaar is, is alleen geldig wanneer de lijfrente ten kosteloze titel (als gift) werd gevestigd.

Titel 7. Contracten met betrekking tot een geschil

Ondertitel 1. Sekwester (Art. 7.7.1 – 7.7.8)

1. Algemene bepalingen & Aard (Art. 7.7.1 – 7.7.3)
  • Definitie (art. 7.7.1): Sekwester is het in bewaring geven van een goed waarover een geschil bestaat. De sekwester (de bewaarder) verbindt zich ertoe het goed na afloop van het geschil af te leveren aan de partij die als gerechtigde wordt aangewezen.
  • Soorten (art. 7.7.2): Een sekwester kan contractueel, wettelijk of gerechtelijk van aard zijn. De algemene regels van het dienstencontract (bewaargeving) zijn aanvullend van toepassing.
  • Contractueel sekwester (art. 7.7.3): Een contractueel sekwester kan niet zomaar worden opgezegd voordat het geschil beëindigd is, behalve met akkoord van alle belanghebbende partijen of om een wettige reden.
2. Gerechtelijk sekwester (Art. 7.7.4 – 7.7.8)
  • Gronden (art. 7.7.4): De rechter kan een sekwester bevelen over: (1) een goed waarover een ernstige betwisting bestaat; (2) een goed dat onder een schuldenaar in beslag is genomen; (3) een bewijsstuk.
  • Bevoegdheden van de sekwester (art. 7.7.6): De sekwester stelt daden van beheer en mag het goed gebruiken. In uitzonderlijke, dringende en noodzakelijke omstandigheden kan de rechter de sekwester zelfs machtigen om daden van beschikking te stellen (zoals het verkopen van bederfbare goederen).
  • Kosten (art. 7.7.7): De rechter bepaalt welke partij de kosten en het loon van de sekwester draagt of voorschiet.
  • Tenietgaan (art. 7.7.8): De rechter kan het sekwester op verzoek van een belanghebbende beëindigen. Het opheffen van het beslag leidt automatisch tot opheffing van het sekwester, waarbij het goed wordt teruggegeven aan de beslagene of overhandigd aan de notaris/deurwaarder bij een gedwongen verkoop.

Ondertitel 2. Dading / Transactie (Art. 7.7.9 – 7.7.16)

  • Definitie (art. 7.7.9): Een dading is een contract waarbij partijen, door wederzijdse toegevingen, een bestaand geschil beëindigen of een toekomstig geschil voorkomen.
  • Voorwerp en oorzaak (art. 7.7.10):
    • Een dading kan worden gesloten over elk geschil over vermogensrechten en over niet-vermogensrechtelijke geschillen voor zover het gaat over rechten waarover partijen vrij mogen beschikken.
    • Burgerlijke vordering uit misdrijf: Men kan een dading sluiten over de burgerlijke schadevergoeding van een misdrijf, maar dit verhindert de strafvervolging door het openbaar ministerie niet.
  • Publiekrechtelijke rechtspersonen (art. 7.7.11): Ook overheden en publieke rechtspersonen mogen een dading sluiten.
  • Uitsluiting van rechtsdwaling en buitengerechtelijke nietigheid (art. 7.7.13):
    • Een dading kan niet worden vernietigd op grond van een rechtsdwaling (een verkeerde inschatting van rechtsregels door een partij).
    • Een dading kan niet worden vernietigd door een enkele schriftelijke kennisgeving (afwijking van de algemene regel van Boek 5).
  • Strikte interpretatie (art. 7.7.14): Het geschil waarop de dading betrekking heeft en de afstand van rechten die eruit voortvloeit, worden strikt uitgelegd.
  • Rechtsgevolgen (art. 7.7.15): Een dading heeft gezag van gewijsde en verhindert dat partijen over hetzelfde geschil opnieuw naar de rechter stappen. Een dading houdt echter geen erkenning van schuld of gegrondheid van de eisen van de tegenpartij in.
  • Uitsluiting van buitengerechtelijke ontbinding of prijsvermindering (art. 7.7.16): Een dading kan bij wanprestatie niet eenzijdig buitengerechtelijk worden ontbonden via een schriftelijke kennisgeving, noch aanleiding geven tot een prijsvermindering op kennisgeving (tenzij partijen uitdrukkelijk een ontbindend beding zijn overeengekomen).