De Mercuriale van 1 september 2026 van het Hof van Beroep te Antwerpen — getiteld "Werelden in botsing of de evolutie van het strafprocesrecht" — is geschreven door emeritus procureur-generaal Yves Liégeois (hoofdcoördinator van het expertisenetwerk Strafprocedure) en uitgesproken bij de plechtige opening van het gerechtelijk jaar.
1. Maatschappelijke en politieke context: De stijgende druk en de "koterijen"
De Mercuriale opent met een schets van de toenemende belasting op het gerechtelijke apparaat. Binnen het ressort Antwerpen is het aantal instromende correctionele beroepszaken (veelal omvangrijke dossiers van georganiseerde criminaliteit) met bijna 50% gestegen, terwijl ook jeugdbeschermings- (+15%) en jeugddelinquentierecht-dossiers (+20%) sterk toenemen.
Hoewel de regeringsverklaring (regering-De Wever) hoopvol aankondigde om in overleg met de magistratuur de rol van de onderzoeksrechter en het openbaar ministerie te hervormen, wees de minister van Justitie in een brief aan het College van procureurs-generaal die ambitie af. De minister gaf aan enkel het bestaande wetboek te willen "verbeteren waar nodig".
De Mercuriale hekelt deze houding als het verder bouwen van "koterijen" onder invloed van een "verlammende budgettaire neurose", terwijl ons Wetboek van Strafvordering inhoudelijk nog steeds teruggaat op de Napoleontische Code d'Instruction Criminelle van 1808. Citerend uit een bijdrage van prof. Chris Van den Wyngaert onderstreept de tekst: "Een modern strafrecht zonder een grondig vernieuwd strafprocesrecht blijft een merkwaardige constructie".
2. De botsing der werelden: Persoonsgegevensverwerking versus Strafprocesrecht
De kern van de inhoudelijke evolutie is het binnendringen van het recht inzake persoonsgegevensverwerking (privacy) in het strafprocesrecht.
- Historisch conflict: De eerste Privacywet van 8 december 1992 bevatte procedures die haaks stonden op de fundamentele beginselen van het strafprocesrecht, zoals het geheim van het onderzoek, het vermoeden van onschuld en het eerlijk proces.
- Europese kaderering: Op Europees niveau werd naast de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG/GDPR) een specifieke Richtlijn Politie en Justitie (LED 2016/680) aangenomen. In de Belgische Gegevensbeschermingswet van 30 juli 2018 werd vastgelegd dat het strafprocesrecht geldt als lex specialis: privacyrechten worden uitgeoefend binnen de grenzen van de strafprocedureregels en onder toezicht van de strafrechter of het openbaar ministerie.
- Wetswijziging van 27 maart 2024 (Digitalisering Ibis): Omdat het Wetboek van Strafvordering ontoereikend was om privacyrechten (zoals inzage, rectificatie en wissen van gegevens) te waarborgen voor procespartijen én derden, voerde de wetgever ingrijpende hervormingen door:
- Recht op aanvullend onderzoek in het opsporingsonderzoek (art. 21quater Sv.): Waar het Grondwettelijk Hof in 2020 (Arrest nr. 97/2020) nog oordeelde dat het ontbreken van een recht op aanvullend onderzoek in het opsporingsonderzoek géén discriminatie vormde, werd dit standpunt door de noodzaak tot rectificatie van persoonsgegevens ingehaald.
- Zuiveringsprocedure: Er werd zowel in het opsporingsonderzoek als in het gerechtelijk onderzoek een analoge procedure ingevoerd om persoonsgegevens te laten schrappen of gezuiverde dossiers neer te leggen via de Kamer van Inbeschuldigingstelling.
3. Doorwerking van het Europees Recht (HvJ-EU) op de bewijsgaring
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) dwingt de Belgische wetgever via bindende afwegingen tussen misdrijfbestrijding (art. 7 en 8 EU-Handvest) en privacy tot voortdurende aanpassingen:
- Dataretentie: Het arrest La Quadrature du Net (6 oktober 2020) leidde tot de vernietiging van de algemene Belgische bewaarplicht van telecomgegevens, waarna de wet van 20 juli 2022 werd aangenomen.
- Uitlezen van smartphones (Arrest Landeck van 4 oktober 2024): Het HvJ-EU oordeelde dat het doorzoeken van een in beslag genomen GSM een zeer ernstige inmenging in de grondrechten inhoudt. Dit leidde tot de Belgische wet van 29 januari 2026, die artikel 39bis Sv. gewijzigd heeft: het parket mag een informaticasysteem enkel nog doorzoeken mits voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter (of schriftelijke bevestiging achteraf in uiterst dringende gevallen).
- Passagiersgegevens (PNR): Na de arresten van het HvJ-EU (21 juni 2022) en het Grondwettelijk Hof (12 oktober 2023) werd artikel 46septies Sv. herschreven: het opvragen van passagiersgegevens voor een "beoordeling achteraf" mag niet langer door de procureur des Konings alleen worden beslist, maar vereist een voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter.
- Bewijsuitsluiting (Antigoon-rechtspraak & Art. 32 VTSv.): De Mercuriale verduidelijkt dat noch artikel 6 EVRM, noch de rechtspraak van het Hof van Cassatie automatische nietigheid van onrechtmatig verkregen bewijs eist. De criteria van artikel 32 Voorafgaande Titel Sv. (toetsing aan het eerlijk proces) blijven overeind, al eist het HvJ-EU wel dat bewijs verkregen via onwettige algemene dataretentie buiten beschouwing wordt gelaten als de verdediging er niet doeltreffend op kan reageren.
4. De fundamentele discussie over de "onafhankelijkheid" en de onderzoeksrechter
Het meest cruciale juridische debat in de Mercuriale betreft de onverenigbaarheid van de dubbele rol van de onderzoeksrechter volgens Europese maatstaven.
Het Europese onafhankelijkheidscriterium
In onder meer het Prokuratuur-arrest (2 maart 2021) en het PNR-arrest (21 juni 2022) stelde het HvJ-EU dat de instantie die voorafgaande toestemming verleent voor ingrijpende onderzoeksmaatregelen aan twee strikte voorwaarden moet voldoen:
- Zij mag niet betrokken zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek.
- Zij moet een neutrale derde zijn ten opzichte van de partijen.
Het parket voldoet hier niet aan omdat het de strafvordering uitoefent en als openbaar aanklager optreedt.
De paradox van de Belgische onderzoeksrechter
De Mercuriale legt bloot dat de klassieke Belgische onderzoeksrechter evengoed wringt met deze norm:
- De onderzoeksrechter leidt immers het gerechtelijk onderzoek, stuurt de opsporingen aan, formuleert werkhypothesen én verleent vervolgens aan zichzelf de machtigingen voor ingrijpende dwangmaatregelen (zoals huiszoekingen, telefoontaps of aanhoudingsbevelen).
- De Commissie voor de hervorming van het strafprocesrecht noemde dit reeds een "scheef getrokken situatie": van de onderzoeksrechter wordt verwacht dat hij zijn eigen hypotheses kritisch in vraag stelt en zichzelf controleert, hetgeen haaks staat op de rol van een neutrale rechterlijke derde.
De kritiek op het Grondwettelijk Hof
Het Grondwettelijk Hof oordeelde in een arrest van 26 september 2024 (nr. 97/2024) dat de onderzoeksrechter wél een onafhankelijke magistraat blijft die voldoet aan de Europese vereisten, onder meer omdat de verdachte klacht kan indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) of nietigheden kan opwerpen voor de vonnisrechter.
De Mercuriale toont aan dat de argumentatie van het Grondwettelijk Hof op losse schroeven staat:
- Artikel 4, § 2 van de wet van 3 december 2017 sluit het toezicht van de GBA immers uitdrukkelijk uit voor verwerkingen door hoven, rechtbanken en het openbaar ministerie bij de uitoefening van hun rechterlijke taken. De GBA heeft dus geen enkele bevoegdheid om op te treden tegen beslissingen van een onderzoeksrechter.
5. Praktische en structurele knelpunten van het gerechtelijk onderzoek
Naast het Europese bevoegdheidsdebat wijst de Mercuriale op grote praktische nadelen van het huidige dubbele systeem (opsporingsonderzoek vs. gerechtelijk onderzoek):
- Vervallen van het inhoudelijk verschil: Nu de rechten van de verdediging en slachtoffers in het opsporingsonderzoek zijn uitgebreid (inzage, aanvullend onderzoek, zuivering, onderzoek à charge en à décharge), is het inhoudelijke verschil tussen beide onderzoeksvormen vrijwel verdwenen.
- Gelijk resultaat: Statistisch onderzoek van het Openbaar Ministerie toont aan dat het veroordelingspercentage bij vonnisrechters vrijwel identiek is, ongeacht of de zaak via een opsporingsonderzoek dan wel een gerechtelijk onderzoek voor de rechtbank werd gebracht.
- Het probleem van de generalist versus de specialist:
- Bij het Openbaar Ministerie werken gespecialiseerde magistraten (ongeveer 60 referentiemagistraten in diverse materies zoals fiscaal, milieu, cybercrime of financieel recht).
- Onderzoeksrechters zijn daarentegen (op enkele uitzonderingen na) generalisten. Zodra een ingrijpende dwangmaatregel nodig is, moet een complex dossier verplicht worden overgedragen aan een onderzoeksrechter die de specifieke materie vaak niet meester is. Yves Liégeois vergelijkt dit scherp met de geneeskunde: "Als een ingrijpend onderzoek nodig is, gaan we van een specialist naar een generalist".
- Crisissituaties en terrorisme: Bij terroristische aanslagen, gijzelingen of NBCRe-incidenten (nucleair, bacteriologisch, chemisch, radiologisch) wordt het beleid gevoerd vanuit een beleidscel voorgezeten door de federale procureur en het Crisiscentrum. Zodra een onderzoeksrechter gevat is, wordt deze als "vrij elektron" in het systeem gedropt. Omdat voor externe communicatie of specifieke onderzoeksakten de individuele toestemming van de onderzoeksrechter vereist is, leidt dit in de praktijk regelmatig tot blokkades.
- Vertraging en efficiëntieverlies: Bij de sluiting van een gerechtelijk onderzoek moet het parket een vordering opstellen in omvangrijke dossiers die het gedurende het onderzoek vaak amper heeft kunnen volgen, hetgeen tot jaren vertraging leidt. Bovendien kan de zaak na een gerechtelijk onderzoek niet meer door het parket worden geseponeerd, zelfs als blijkt dat vervolging onwenselijk is.
- Burgerlijke partijstelling: De mogelijkheid voor een benadeelde om zich rechtstreeks burgerlijke partij te stellen bij de onderzoeksrechter laat toe dat één enkeling de strafvordering in gang zet en het gehele strafbeleid en de capaciteit van Justitie doorkruist.
6. De beslissende druk van het Europees Openbaar Ministerie (EOM / EPPO)
De definitieve genadeslag voor het Belgische gerechtelijk onderzoek komt van de Verordening (EU) 2017/1939 betreffende het Europees Openbaar Ministerie (EOM):
- Rechtstreekse werking en voorrang: De EOM-verordening heeft rechtstreekse werking en voorrang op het Belgische recht.
- Geen plaats voor de onderzoeksrechter als onderzoeksleider: Binnen EOM-dossiers leiden de Europese (gedelegeerd) aanklagers het onderzoek zelf. Er is in de EOM-structuur geen plaats voor een gerechtelijk onderzoek onder leiding van een onderzoeksrechter, noch voor een burgerlijke partijstelling die de strafvordering start.
- Belgische "struisvogelpolitiek": De Belgische wetgever trachtte dit in de wet van 17 februari 2021 te omzeilen door "gespecialiseerde onderzoeksrechters" aan te wijzen die de vorderingen van het EOM moesten behandelen.
- Europese aanmaning: De Europese Commissie heeft België formeel aangemaand. De Commissie verwerpt de Belgische constructie omdat de onderzoeksrechter via de regeling der rechtspleging nog steeds de leiding over het onderzoek overneemt en het dossier afsluit, hetgeen rechtstreeks strijdig is met de EU-Verordening.
- Het gevaar van een wetboek met drie snelheden: Als België de rol van de onderzoeksrechter enkel aanpast voor EOM-zaken, ontstaan er in België drie verschillende soorten strafonderzoeken in één wetboek. Dit zou leiden tot een volstrekt onhoudbare incoherentie, rechtsonzekerheid en discriminatie tussen verdachten in EOM-zaken en niet-EOM-zaken.
7. Epiloog en conclusie van de Mercuriale: De weg naar de "Machtigingsrechter"
De Mercuriale besluit dat de overgang naar één centraal strafonderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie juridisch en praktisch onafwendbaar is.
De toekomstige rol van de onderzoeksrechter
In het voorgestelde model verdwijnt het gerechtelijk onderzoek onder leiding van de onderzoeksrechter:
- De onderzoeksrechter treedt niet langer op als opsporingsleider of actieve speurder.
- Hij wordt in zijn zuiver rechterlijke functie hersteld als "machtigingsrechter" (of "rechter van het onderzoek").
- Op gemotiveerd verzoek van het parket toetst deze onafhankelijke rechter vooraf de wettelijkheid, noodzakelijkheid, proportionaliteit en finaliteit van alle ingrijpende dwangmaatregelen (zoals aanhoudingen, huiszoekingen, telefoontaps, datarekening en informaticazoekingen).
- De machtigingsrechter kan het dossier niet langer "evoceren" (zelf overnemen).
Rechten van partijen en hervorming
- Slachtoffers en benadeelden: Zij behouden uitgebouwde rechten op inzage, het verzoeken om aanvullend onderzoek en het recht om een sepot aan te vechten voor een hogere rechtsmacht, maar de automatische burgerlijke partijstelling die de strafvordering instelt verdwijnt.
- Eindconclusie: De auteur maant de politiek dringend aan om de kop uit het zand te halen en te stoppen met het uitstellen van hervormingen wegens budgettaire redenen: "Het immobilisme waartoe de budgettaire neurose het land in zijn greep heeft kan de tijd niet tegenhouden. Waar geen visie is ontbreekt de wil, waar geen geld is ontbreken beiden".