Historisch vonnis over de gevangenis van Gent: Belgische Staat veroordeeld wegens structurele overbevolking
De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen (afdeling Gent) heeft op 11 september 2026 een bepalend tussenvonnis geveld over de detentieomstandigheden in de gevangenis van Gent.
In de zaak ingesteld door de Orde van Vlaamse Balies (OVB) tegen de Belgische Staat oordeelde de rechter dat de langdurige overbevolking een schending vormt van het absolute verbod op onmenselijke of vernederende behandeling.
De overheid krijgt zes maanden de tijd om de bezettingsgraad terug te brengen, op straffe van dwangsommen die kunnen oplopen tot 45 miljoen euro.
1. De feitelijke achtergrond: Een bezettingsgraad van bijna 200%
Uit het jaarverslag van de Commissie van Toezicht blijkt dat de gevangenis van Gent kampt met een bezettingsgraad van bijna 200%. Deze extreme overbevolking leidt tot acute menswaardigheidsproblemen:
- Grondslapers en een ernstig tekort aan individuele leefruimte.
- Gebrekkige hygiëne en ontoereikende sanitaire voorzieningen.
- Beperkingen in het detentieregime en een tekort aan medische en psychische zorg.
De rechtbank benadrukte dat dit geenszins een tijdelijke of onvoorziene situatie is, maar een structureel en duurzaam probleem dat al jarenlang bekend is en gedocumenteerd wordt door diverse toezichtsorganen.
2. Het juridische kader: Artikel 3 EVRM en Boek 6 BW
De juridische onderbouwing van de uitspraak steunt op twee centrale pijlers:
- Artikel 3 EVRM: Dit artikel bevat een absoluut verbod op foltering en onmenselijke of vernederende behandeling. Op de overheid rust een positieve verplichting om menswaardige detentieomstandigheden te garanderen.
- Burgerlijke aansprakelijkheid (Boek 6 BW): De rechtbank oordeelde dat de schending van artikel 3 EVRM een burgerlijke fout oplevert (art. 6.6 BW). Op grond van artikel 6.28, lid 2 BW (preventieve maatregelen ter voorkoming van verdere schade) en artikel 6.33 BW (herstel in natura van een onrechtmatige toestand) is de rechter bevoegd om een bevel op te leggen dat de normschending doet ophouden.
3. Waarom de verweren van de Belgische Staat faalden
De Belgische Staat voerde diverse argumenten aan ter verdediging, maar deze werden door de rechtbank verworpen:
- "Inspanningen en wetgeving": De Staat verwees onder meer naar de Noodwet van 18 juli 2025. De rechter oordeelde echter dat inspanningen juridisch ontoereikend zijn wanneer het feitelijke resultaat onder de absolute ondergrens van artikel 3 EVRM blijft.
- "Gebrek aan middelen": Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kunnen budgettaire, organisatorische of praktische moeilijkheden een schending van een absolute verdragsnorm niet rechtvaardigen.
- "Scheiding der machten": De Staat stelde dat een bevel de scheiding der machten schendt. De rechtbank verwierp dit: de rechter legt enkel een resultaatsverplichting op (het terugbrengen van de bezetting), maar laat de overheid de volledige beleidsvrijheid over de keuzes en middelen om dat resultaat te bereiken.
- Gevraagd uitstel: Het verzoek van de Staat om de zaak met één jaar uit te stellen werd geweigerd gelet op de ernst van de voortdurende schending.
4. De concrete beslissing en de dwangsomregeling
De rechtbank verklaarde de vordering van de OVB gegrond en legde de Belgische Staat duidelijke verplichtingen op:
- Capaciteitsnorm: Binnen zes maanden na betekening van het vonnis moet de bezettingsgraad worden teruggebracht tot maximaal 110% van de reële capaciteit. De reële capaciteit werd vastgesteld op 262 plaatsen.
- Progressieve dwangsommen: Bij niet-naleving verbeurt de Staat een dwangsom per dag en per gedetineerde boven de 110%-grens:
- Eerste jaar: € 500,00 per dag per gedetineerde.
- Tweede jaar: € 750,00 per dag per gedetineerde.
- Vanaf het derde jaar: € 1.000,00 per dag per gedetineerde.
- Plafond: Het totale maximumbedrag werd geplafonneerd op € 45.000.000,00.
- Afgewezen vorderingen: De gevraagde publicatie in het Belgisch Staatsblad en toezending aan alle correctionele magistraten werden afgewezen, omdat deze niet rechtstreeks bijdragen aan het herstel van de toestand.
- Proceskosten: De Staat werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten (€ 443,79 dagvaardingskost en € 1.883,72 rechtsplegingsvergoeding).
5. Betekenis van de uitspraak
Dit vonnis onderstreept dat beleidsvrijheid de overheid niet ontslaat van haar verplichting om grondrechten te eerbiedigen. Het besluit van de rechter maakt duidelijk dat structurele capaciteitsproblemen niet onbeperkt kunnen worden verantwoord met verwijzing naar beleidscomplexiteit wanneer fundamentele mensenrechten in het geding zijn.