Printvriendelijk afdrukken

maandag 4 augustus 2025

Nieuwe wet om de overbevolking in de gevangenissen te verminderen

 

18 JULI 2025. — Wet houdende maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen en tot invoering van de principiële onmogelijkheid om het elektronisch toezicht uit te voeren op de plaats waar het slachtoffer verblijft.

Wet en voorbereidende werkzaamheden in één pdf, met en zonder uitwendige index.

Samenvatting met AI


Deel 1: Artikelen over pensioenen en federale ombudsmannen (Wet van 14 juli 2025)

Deze artikelen (Art. 5 en Art. 6) maken deel uit van een wet die gaat over het harmoniseren van pensioenregelingen en het wijzigen van de wet op de federale ombudsmannen. Ze staan bovenaan in het document, vóór de hoofdtitel van de wet over gevangenisoverbevolking.

Podcast

  • Art. 5 (uit Hoofdstuk 4 - Wijziging van de wet van 22 maart 1995 tot instelling van de federale ombudsmannen)
    • Vraag: Waarover gaat dit artikel?
    • Antwoord: Dit artikel wijzigt een wet uit 1995 die de federale ombudsmannen instelt. Het voegt een bepaling toe aan artikel 20 van die wet.
    • Vraag: Wat houdt deze wijziging precies in?
    • Antwoord: De wijziging bepaalt dat de mandaten van directeur, administrateur en auditeur-coördinator bij de federale ombudsmannen, wat hun pensioen betreft, gelijkgesteld worden met een vaste benoeming. Dit betekent dat zij, of hun nabestaanden, recht krijgen op een rust- of overlevingspensioen dat betaald wordt door de Staatskas, volgens het pensioenregime dat geldt voor rijksambtenaren.
  • Art. 6 (uit Hoofdstuk 5 - Inwerkingtreding)
    • Vraag: Vanaf wanneer is de wet van 14 juli 2025 (waar de voorgaande artikelen deel van uitmaken) van kracht?
    • Antwoord: Deze specifieke wet heeft terugwerkende kracht tot 1 april 1999.
    • Vraag: Zijn er uitzonderingen op deze algemene ingangsdatum?
    • Antwoord: Ja, er zijn uitzonderingen voor andere specifieke artikelen binnen diezelfde wet:
      • Artikel 2 (van die wet) is van kracht sinds 9 januari 2017.
      • Artikel 3 en 4 (van die wet) zijn van kracht sinds 1 juli 2019.

Deel 2: De Wet van 18 juli 2025 over de vermindering van overbevolking in gevangenissen

Dit is de belangrijkste wet in het document, met als officiële titel: "Wet houdende maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen en tot invoering van de principiële onmogelijkheid om het elektronisch toezicht uit te voeren op de plaats waar het slachtoffer verblijft". Deze wet voert nieuwe maatregelen in om de overbevolking in Belgische gevangenissen aan te pakken en regels voor elektronisch toezicht, vooral in gevallen waarbij een slachtoffer betrokken is.

  • Vraag: Wanneer treedt deze wet in werking?
  • Antwoord: Deze wet treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
  • Artikel 1
    • Vraag: Wat is het algemene doel van dit eerste artikel?
    • Antwoord: Dit artikel legt vast dat de wet een aangelegenheid regelt die vermeld staat in artikel 74 van de Grondwet. Dit is een technische juridische verwijzing die aangeeft dat het om een belangrijke kwestie gaat waarvoor een specifieke wetgevende procedure nodig is.
  • Artikel 2
    • Vraag: Welke veranderingen brengt dit artikel aan in het Strafwetboek?
    • Antwoord: Dit artikel vult artikel 7 van het Strafwetboek aan met twee nieuwe paragrafen: § 2 en § 3.
    • Vraag: Wat zijn de nieuwe richtlijnen voor rechters bij het kiezen en bepalen van straffen volgens § 2?
    • Antwoord: Rechters moeten bij hun strafkeuze de volgende doelen nastreven:
      • Het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht en de schade die door het misdrijf is veroorzaakt.
      • Het bevorderen van de rehabilitatie en re-integratie van de dader in de samenleving.
      • Het beschermen van de maatschappij. De rechter moet ook zorgen voor een rechtvaardige verhouding tussen het misdrijf en de straf, en rekening houden met ongewenste neveneffecten van de straf voor de direct betrokkenen, hun omgeving en de samenleving.
    • Vraag: Wat zijn de nieuwe regels voor feiten waarvoor een gevangenisstraf van maximaal drie jaar staat, volgens § 3?
    • Antwoord:
      • Voor feiten bestraft met maximaal zes maanden gevangenisstraf: Als de rechter een effectieve gevangenisstraf overweegt, moet hij een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een autonome probatiestraf opleggen, mits aan de voorwaarden is voldaan.
      • Voor feiten bestraft met meer dan zes maanden tot drie jaar gevangenisstraf: Als de rechter een effectieve gevangenisstraf oplegt, moet hij uitgebreid motiveren waarom een straf onder elektronisch toezicht, een werkstraf of een autonome probatiestraf in dat specifieke geval niet volstaat, mits aan de voorwaarden is voldaan.
  • Artikel 3
    • Vraag: Wat verandert dit artikel aan de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden?
    • Antwoord: Dit artikel wijzigt een specifieke datum in artikel 109, derde lid, van de wet van 17 mei 2006. De einddatum "31 december 2025" wordt vervangen door "1 juni 2030". Dit betekent dat bepaalde uitzonderingsregels langer van kracht blijven.
  • Artikel 4
    • Vraag: Wat voegt dit artikel toe aan de wet van 17 mei 2006?
    • Antwoord: Dit artikel voegt een nieuw artikel 109/1 in, dat bepaalt dat tot 1 juni 2030 veel artikelen (o.a. artikelen 21, 22, 23, 24, 25, 25/1, 25/3, 26, 26/1, 28, 29, 30, 31, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 42, 43, 45, 46, 59 en 60) van de wet van 17 mei 2006 niet van toepassing zijn op veroordeelden die een of meer vrijheidsstraffen ondergaan waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt.
    • Vraag: Zijn er uitzonderingen op deze regel van niet-toepassing?
    • Antwoord: Ja, deze niet-toepassing geldt niet voor veroordeelden waarvoor een gespecialiseerd advies vereist is (volgens artikel 32 van die wet) of voor de toekenning van een vermindering van het verbodsrecht om in een specifieke zone te wonen, te verblijven of zich te vertonen.
    • Vraag: Kan deze datum van 1 juni 2030 in de toekomst nog veranderen?
    • Antwoord: Ja, de Koning kan deze datum vervroegen na een evaluatie van de beschikbare gevangeniscapaciteit en de instroom van gedetineerden.
  • Artikel 5
    • Vraag: Wat is de wijziging die dit artikel (in Afdeling 2 van Hoofdstuk 2) aanbrengt aan de wet van 5 mei 2019?
    • Antwoord: Dit artikel wijzigt het derde lid van artikel 26 van de wet van 5 mei 2019. De wet van 2019 paste de procedure voor de strafuitvoeringsrechter aan, specifiek voor vrijheidsstraffen van drie jaar of minder. De precieze inhoud van de wijziging aan dit specifieke lid is niet verder gedetailleerd in de bron, enkel dat het gewijzigd wordt.
  • Artikel 6
    • Vraag: Wat wijzigt dit artikel (in Afdeling 3 van Hoofdstuk 2) aan de wet van 29 juni 2021?
    • Antwoord: Dit artikel vervangt net als artikel 3 de woorden "31 december 2025" door "1 juni 2030" in artikel 17, derde lid, van de wet van 29 juni 2021. Deze wet regelt de procedure voor de uitvoering van vrijheidsstraffen van drie jaar of minder.
  • Artikel 7
    • Vraag: Welke nieuwe titel wordt hier ingevoegd in de wet van 17 mei 2006?
    • Antwoord: Dit artikel voegt een nieuwe titel, genaamd "Titel XIIquater — Tijdelijke bepalingen", toe aan de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van veroordeelden.
  • Artikel 8
    • Vraag: Wat wordt er ingevoegd in de zojuist toegevoegde Titel XIIquater?
    • Antwoord: Er wordt een nieuw hoofdstuk, genaamd "Hoofdstuk I — De noodprocedure strafuitvoeringsrechter", ingevoegd in Titel XIIquater.
  • Artikel 9
    • Vraag: En in dit nieuwe Hoofdstuk I?
    • Antwoord: Er wordt een nieuwe afdeling, genaamd "Afdeling I — Toepassingsgebied", ingevoegd.
  • Artikel 10
    • Vraag: Op wie is deze nieuwe 'noodprocedure' van de strafuitvoeringsrechter van toepassing?
    • Antwoord: Dit hoofdstuk is van toepassing op veroordeelden met een of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder, maar zes maanden of meer bedraagt, en voor wie de normale bepalingen van de wet van 2006 niet van toepassing zijn.
    • Vraag: Welke strafuitvoeringsmodaliteiten kan de strafuitvoeringsrechter volgens deze procedure toekennen?
    • Antwoord: De rechter kan beperkte detentie, elektronisch toezicht, voorwaardelijke invrijheidstelling, voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied (uitzetting), of voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering (uitlevering) toekennen, onder nader te bepalen voorwaarden.
  • Artikel 11
    • Vraag: Welke nieuwe afdeling wordt hier ingevoegd?
    • Antwoord: Er wordt een nieuwe afdeling, genaamd "Afdeling II — Strafuitvoeringsmodaliteiten", ingevoegd.
  • Artikel 12
    • Vraag: Wat betekent "beperkte detentie"?
    • Antwoord: Beperkte detentie is een manier om de gevangenisstraf uit te voeren waarbij de veroordeelde de gevangenis regelmatig mag verlaten voor een bepaalde duur van maximaal zestien uur per dag. Dit wordt toegekend om professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die de aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen.
  • Artikel 13
    • Vraag: Wat is "elektronisch toezicht"?
    • Antwoord: Elektronisch toezicht is een manier om de vrijheidsstraf, geheel of gedeeltelijk, buiten de gevangenis te ondergaan. Dit gebeurt volgens een specifiek uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer elektronisch wordt gecontroleerd.
  • Artikel 14
    • Vraag: Wanneer kunnen beperkte detentie en elektronisch toezicht worden toegekend?
    • Antwoord: Deze modaliteiten kunnen worden toegekend aan een veroordeelde die nog zes maanden verwijderd is van de tijdsvoorwaarden voor voorwaardelijke invrijheidstelling én voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald in artikel 98/13.
    • Vraag: Hoe wordt een veroordeelde over deze mogelijkheid geïnformeerd?
    • Antwoord: Drie maanden voordat de veroordeelde aan de tijdsvoorwaarde voldoet (of onmiddellijk als die termijn niet haalbaar is), moet de directeur hem schriftelijk informeren over de mogelijkheid om een beperkte detentie of elektronisch toezicht aan te vragen. Vanaf dat moment kan de veroordeelde een schriftelijk verzoek indienen.
  • Artikel 15
    • Vraag: Wat is "voorwaardelijke invrijheidstelling"?
    • Antwoord: Voorwaardelijke invrijheidstelling is een manier om de gevangenisstraf buiten de gevangenis te ondergaan, op voorwaarde dat de veroordeelde zich houdt aan specifieke voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.
    • Vraag: Wanneer wordt voorwaardelijke invrijheidstelling toegekend?
    • Antwoord: Dit wordt toegekend aan de veroordeelde die een derde van zijn straffen heeft ondergaan en voldoet aan de voorwaarden van artikel 98/13.
  • Artikel 16
    • Vraag: Wat is "voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied"?
    • Antwoord: Dit is een manier om de straf uit te voeren voor veroordeelden van wie uit een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat zij niet in België mogen verblijven. Zij krijgen deze vrijlating op voorwaarde dat zij het grondgebied effectief verlaten en tijdens een proeftijd niet terugkeren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en zonder voorafgaande toestemming van de strafuitvoeringsrechter.
    • Vraag: Wanneer wordt dit toegekend?
    • Antwoord: Aan veroordeelden die nog zes maanden verwijderd zijn van het moment dat zij een derde van hun straffen hebben ondergaan, en die voldoen aan de voorwaarden van artikel 98/13.
  • Artikel 17
    • Vraag: Wat is "voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering"?
    • Antwoord: Deze vorm van invrijheidstelling wordt toegestaan aan veroordeelden die op basis van een uitvoerbaar vonnis of titel naar een ander land moeten worden overgebracht.
    • Vraag: Wanneer wordt dit toegekend?
    • Antwoord: Aan veroordeelden die een derde van hun straffen hebben ondergaan en voldoen aan de voorwaarden van artikel 98/13.
  • Artikel 18
    • Vraag: Welke nieuwe sectie wordt hier ingevoegd?
    • Antwoord: Er wordt een nieuwe afdeling, genaamd "Afdeling III — De toekenningsvoorwaarden en -procedure", ingevoegd in Hoofdstuk I.
  • Artikel 19
    • Vraag: Wat zijn de twee belangrijkste voorwaarden waaronder de strafuitvoeringsrechter deze modaliteiten toekent?
    • Antwoord: De rechter kent de modaliteiten toe op voorwaarde dat:

1.                  De veroordeelde een verblijfplaats heeft. Deze voorwaarde is echter niet van toepassing op beperkte detentie, voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, en voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering.

2.                  Er geen direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden, tenzij dit risico kan worden opgevangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Een "direct waarneembaar risico" is een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit het huidige gedrag van de veroordeelde of uit de dossierstukken.

    • Vraag: Gelden er specifieke regels voor elektronisch toezicht voor veroordeelden zonder verblijfsrecht?
    • Antwoord: Ja, elektronisch toezicht kan aan hen alleen worden toegekend als uit een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat zij niet onmiddellijk kunnen worden verwijderd of overgebracht naar een opvangplaats voor vreemdelingen. Dit advies moet binnen tien dagen na kennisgeving door de directeur worden gegeven.
  • Artikel 20
    • Vraag: Hoe verloopt de aanvraagprocedure voor beperkte detentie en elektronisch toezicht?
    • Antwoord: De veroordeelde dient een schriftelijk verzoek in bij de griffie van de gevangenis. De griffie van de gevangenis stuurt dit binnen vijf werkdagen door naar de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
    • Vraag: Wat is de rol van de directeur bij deze aanvragen?
    • Antwoord: De directeur moet binnen één maand na ontvangst van een kopie van het verzoek een advies uitbrengen.
    • Vraag: Is er een speciale procedure voor aanvragen die te maken hebben met specifieke misdrijven?
    • Antwoord: Ja, als het verzoek om elektronisch toezicht gaat en de veroordeelde een straf ondergaat voor bepaalde ernstige feiten (specifieke artikelen uit het Strafwetboek, zoals zedenfeiten, mensenhandel) of voor feiten gepleegd in een context van intrafamiliaal geweld, dan moet de directeur aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen vragen om een maatschappelijke enquête uit te voeren. Dit dient om noodzakelijke informatie te verkrijgen over de opvangomgeving waar het elektronisch toezicht zal plaatsvinden, tenzij dit in het concrete geval niet nuttig blijkt.
  • Artikel 21
    • Vraag: Hoe verloopt de procedure voor voorwaardelijke invrijheidstelling en voorlopige invrijheidstellingen (met oog op verwijdering/overlevering)?
    • Antwoord: Deze modaliteiten worden toegekend op basis van een ambtshalve advies van de directeur (de directeur brengt dit advies dus uit eigen beweging uit, zonder specifieke aanvraag van de veroordeelde).
    • Vraag: Wanneer moet de directeur dit advies uitbrengen?
    • Antwoord: De directeur brengt zijn advies uiterlijk twee maanden voordat de veroordeelde aan de tijdsvoorwaarden voldoet, of onmiddellijk als deze termijn niet kan worden gerespecteerd.
    • Vraag: Is er ook hier een speciale procedure voor specifieke misdrijven?
    • Antwoord: Ja, als het advies betrekking heeft op een voorwaardelijke invrijheidstelling en de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten van intrafamiliaal geweld, dan vraagt de directeur een maatschappelijke enquête aan over de opvangomgeving waar de voorwaardelijke invrijheidstelling zal plaatsvinden, tenzij dit niet nuttig blijkt.
  • Artikel 22
    • Vraag: Welke documenten en informatie moet het dossier van de directeur, dat aan de rechter wordt voorgelegd, bevatten?
    • Antwoord: Het dossier moet het volgende omvatten:
      • Een kopie van de opsluitingsfiche, met de datum waarop de veroordeelde in aanmerking komt voor de betreffende strafuitvoeringsmodaliteit.
      • Het advies van de directeur, dat de volgende elementen bevat:
        • Voor elektronisch toezicht: informatie over de locatie en de toestemming van de meerderjarige huisgenoten daar. Voor veroordeelden zonder verblijfsrecht: een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken over de mogelijkheid van onmiddellijke verwijdering of overbrenging.
        • Voor beperkte detentie: precieze informatie over de professionele, opleidings- of familiale belangen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen.
        • Voor voorwaardelijke invrijheidstelling: informatie over het voorgestelde verblijfsadres.
        • Indien van toepassing, de maatschappelijke enquête die is uitgevoerd.
        • Alle elementen die de directeur relevant vindt om een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden te beoordelen.
        • Een voorstel tot toekenning of afwijzing, en indien nodig, de bijzondere voorwaarden die hij noodzakelijk acht om het risico op herhaling van misdrijven te beperken of die nodig zijn in het belang van het slachtoffer.
    • Vraag: Hoe wordt dit dossier verspreid?
    • Antwoord: De griffie van de gevangenis stuurt het dossier naar de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en geeft een kopie aan het openbaar ministerie en de veroordeelde. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank voegt hier nog een geactualiseerd afschrift van het strafregister en kopieën van vonnissen en arresten aan toe.
  • Artikel 23
    • Vraag: Wanneer wordt de uitvoering van de vrijheidsstraf automatisch stilgelegd (opgeschort)?
    • Antwoord: Als de directeur voorstelt om elektronisch toezicht of voorwaardelijke invrijheidstelling toe te kennen (voor gedetineerden) én de veroordeelde voldoet aan de tijdsvoorwaarden, dan wordt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf eenmalig van rechtswege opgeschort (automatisch stilgelegd) per aangevraagde modaliteit. De griffie van de gevangenis informeert het openbaar ministerie en de strafuitvoeringsrechtbank hier onmiddellijk over.
    • Vraag: Wanneer eindigt deze opschorting?
    • Antwoord: De opschorting eindigt van rechtswege zodra het vonnis definitief is, of wanneer het elektronisch toezicht daadwerkelijk start. De verjaringstermijn van de straf loopt niet tijdens deze periode van opschorting.
    • Vraag: Kan de veroordeelde tijdens de opschorting opnieuw worden opgesloten?
    • Antwoord: Ja, de procureur des Konings of het openbaar ministerie kan de opsluiting van de veroordeelde bevelen als hij de fysieke integriteit van derden ernstig in gevaar brengt of als er een risico bestaat dat hij zich aan de strafuitvoering onttrekt. In dat geval eindigt de opschorting onmiddellijk.
  • Artikel 24
    • Vraag: Wat is de rol van het openbaar ministerie met betrekking tot risicobeoordeling?
    • Antwoord: In gevallen die het openbaar ministerie nodig acht (en waarvoor richtlijnen van het College van procureurs-generaal kunnen worden uitgevaardigd), stelt het openbaar ministerie een advies op over het bestaan van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden. Dit advies wordt binnen vijf werkdagen na ontvangst van het advies van de directeur naar de strafuitvoeringsrechter gestuurd, met een kopie aan de veroordeelde en de directeur.
  • Artikel 25
    • Vraag: Binnen welke termijn moet de strafuitvoeringsrechter een beslissing nemen?
    • Antwoord: De strafuitvoeringsrechter moet binnen één maand na ontvangst van het dossier van de directeur uitspraak doen, en niet eerder dan na ontvangst van het advies van het openbaar ministerie of na het verstrijken van de adviestermijn daarvan.
    • Vraag: Kan deze termijn in specifieke gevallen worden verlengd?
    • Antwoord: Ja, als de aanvraag voorwaardelijke invrijheidstelling betreft voor zeer ernstige misdrijven (specifieke artikelen uit het Strafwetboek, zoals moord, verkrachting, terreurmisdrijven, zware drugshandel) en de rechter vindt het dossier niet compleet, dan kan hij bijkomende informatie vragen of een beknopt voorlichtingsverslag of maatschappelijke enquête laten opstellen. In dat geval kan de termijn van één maand eenmalig met maximaal één maand worden verlengd.
  • Artikel 26
    • Vraag: Wat voegt dit artikel toe?
    • Antwoord: Dit artikel voegt een nieuwe afdeling, "Afdeling IV", in in Hoofdstuk I van Titel XIIquater. Deze afdeling zal de regels voor de uitvoering van de strafuitvoeringsmodaliteiten bevatten.
  • Artikel 27
    • Vraag: Wanneer wordt een strafuitvoeringsmodaliteit toegekend en wanneer wordt de beslissing uitvoerbaar?
    • Antwoord: De rechter kent de modaliteit toe als hij vaststelt dat aan de voorwaarden van artikel 98/13 is voldaan.
      • Een vonnis tot toekenning van beperkte detentie, elektronisch toezicht of voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitvoerbaar zodra het definitief is en de veroordeelde aan de tijdsvoorwaarden voldoet.
      • Een vonnis voor voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt uitvoerbaar op het moment dat de overlevering plaatsvindt.
      • Een vonnis voor voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied wordt uitvoerbaar op het moment van de effectieve verwijdering of overbrenging. Dit gebeurt ten vroegste de dag dat het vonnis definitief is en de tijdsvoorwaarden zijn voldaan, en uiterlijk twintig dagen nadat de veroordeelde een derde van zijn straf heeft ondergaan. Belangrijk: Indien de verwijdering of overbrenging niet heeft plaatsgevonden bij het verstrijken van deze uiterste datum, wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld.
  • Artikel 28
    • Vraag: Welke algemene voorwaarden worden aan veroordeelden opgelegd wanneer een strafuitvoeringsmodaliteit wordt toegekend?
    • Antwoord: De veroordeelde is onderworpen aan de volgende algemene voorwaarden:

1.                  Geen strafbare feiten plegen.

2.                  De slachtoffers niet lastigvallen.

3.                  Voor elektronisch toezicht en voorwaardelijke invrijheidstelling: een verblijfplaats hebben en, bij wijziging, de nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, indien van toepassing, aan de begeleidende dienst van de gemeenschappen.

4.                  Gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, indien van toepassing, van de begeleidende dienst van de gemeenschappen.

5.                  Voor voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied: de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en zonder voorafgaande toestemming van de strafuitvoeringsrechter.

  • Artikel 29
    • Vraag: Kan de strafuitvoeringsrechter naast de algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden opleggen?
    • Antwoord: Ja, de rechter kan de veroordeelde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden als deze absoluut noodzakelijk zijn om het risico op recidive (herhaling van misdrijven) te beperken of als deze noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer.
    • Vraag: Mag een veroordeelde die voorwaardelijk in vrijheid is gesteld België verlaten?
    • Antwoord: Bij de toekenning van een voorwaardelijke invrijheidstelling, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis of de veroordeelde al dan niet het grondgebied van België mag verlaten. Als dit mag, dan stelt de rechter de maximale periode en frequentie vast en bepaalt hij of en hoe de veroordeelde het openbaar ministerie vooraf moet inlichten voordat hij het land verlaat.
  • Artikel 30
    • Vraag: Wie is verantwoordelijk voor de concrete invulling van beperkte detentie of elektronisch toezicht?
    • Antwoord: De strafuitvoeringsrechter bepaalt in het vonnis het programma van de concrete invulling van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht. De bevoegde dienst van de gemeenschappen is vervolgens verantwoordelijk voor de uitwerking van deze concrete invulling.
  • Artikel 31
    • Vraag: Kan penitentiair verlof worden toegekend?
    • Antwoord: Ja, de strafuitvoeringsrechter kan penitentiair verlof toekennen op het moment dat hij beslist over de toekenning van beperkte detentie of elektronisch toezicht.
    • Vraag: Wat als de veroordeelde later om penitentiair verlof vraagt?
    • Antwoord: De veroordeelde dient zijn schriftelijk verzoek in bij de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank, met daarin informatie over de omstandigheden en het kader van het verlof. De rechter doet uitspraak binnen één maand. De algemene en bijzondere voorwaarden (Art. 98/21 en 98/22) zijn van toepassing.
    • Vraag: Hoe lang duurt penitentiair verlof en hoe wordt het vernieuwd?
    • Antwoord: De rechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan vier keer zesendertig uur per trimester mag zijn. Het penitentiair verlof wordt elk trimester automatisch vernieuwd van rechtswege.
  • Artikel 32
    • Vraag: Wat gebeurt er als de strafuitvoeringsmodaliteit wordt afgewezen?
    • Antwoord: Als de strafuitvoeringsrechter de aangevraagde modaliteit afwijst, bepaalt hij in zijn vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen of de directeur een nieuw advies moet uitbrengen. Deze termijn mag niet langer zijn dan twee maanden vanaf de datum van het vonnis.
  • Artikel 33
    • Vraag: Hoe wordt het vonnis (de beslissing van de rechter) meegedeeld?
    • Antwoord: Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur via aangetekende zending ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk aan het openbaar ministerie en de directeur. Bij kennisname van het vonnis stemt de veroordeelde in met de voorwaarden.
    • Vraag: Hoe wordt het slachtoffer geïnformeerd?
    • Antwoord: Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel op de hoogte gebracht van het vonnis en, indien van toepassing, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
    • Vraag: Aan welke andere instanties wordt de beslissing nog meer meegedeeld?
    • Antwoord: De beslissing wordt meegedeeld aan:
      • De korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen.
      • De nationale gegevensbank (van de politie).
      • De bevoegde dienst van de gemeenschappen (van de verblijfplaats van de veroordeelde, of de dienst voor elektronisch toezicht, of de dienst van de gemeenschap van de verblijfplaats van het slachtoffer indien er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd).
      • De Dienst Vreemdelingenzaken (indien de beslissing betrekking heeft op een veroordeelde die niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in België).
  • Artikel 34
    • Vraag: Wanneer kan het openbaar ministerie de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechter voor herroeping van een toegekende modaliteit?
    • Antwoord: Naast de bestaande gevallen (vermeld in artikel 64, 1° tot 7°), kan het openbaar ministerie de zaak ook bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken met het oog op de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit.
    • Vraag: Wat gebeurt er specifiek als de veroordeelde de algemene voorwaarde om het grondgebied te verlaten (bij voorlopige invrijheidstelling met oog op verwijdering) niet naleeft?
    • Antwoord: Als deze voorwaarde niet wordt nageleefd, maakt het openbaar ministerie de zaak aanhangig bij de strafuitvoeringsrechter, die in dat geval de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied herroept. In hetzelfde geval kan de procureur des Konings ook de voorlopige aanhouding van de veroordeelde bevelen.
  • Artikel 35
    • Vraag: Welke nieuwe belangrijke sectie wordt hier toegevoegd?
    • Antwoord: Dit artikel voegt een nieuw hoofdstuk, genaamd "Hoofdstuk II — De vervroegde invrijheidstelling 'overbevolking' vanaf zes maanden voor strafeinde", in in Titel XIIquater. Dit is een belangrijke nieuwe maatregel om de overbevolking in gevangenissen te verminderen.
  • Artikel 36
    • Vraag: Wie kent deze "vervroegde invrijheidstelling overbevolking" toe en wanneer?
    • Antwoord: De directeur van de gevangenis kent deze maatregel toe. Het is voor veroordeelden die binnen zes maanden voor het einde van hun uitvoerbare vrijheidsstraf in aanmerking komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling en uitsluitend definitieve vrijheidsstraffen ondergaan.
    • Vraag: Welke twee cumulatieve (samen te vervullen) voorwaarden moet de veroordeelde voldoen?
    • Antwoord: De veroordeelde moet:

1.                  Beschikken over een opvangadres.

2.                  Geen manifest risico vormen voor een ernstige aantasting van de fysieke integriteit van derden.

    • Vraag: Wat geldt specifiek voor veroordeelden zonder verblijfsrecht in België?
    • Antwoord: Zij komen alleen in aanmerking voor deze maatregel als de Dienst Vreemdelingenzaken aan de directeur meedeelt dat het onmogelijk is om hen onmiddellijk te verwijderen of over te brengen. Voor hen is enkel de tweede voorwaarde (geen manifest risico) van toepassing.
    • Vraag: Welke categorieën van veroordeelden zijn uitgesloten van deze "overbevolkingsmaatregel"?
    • Antwoord: De volgende categorieën zijn uitgesloten:
      • Veroordeelden met een of meerdere vrijheidsbenemende straffen waarvan het totaal meer dan tien jaar bedraagt.
      • Veroordeelden die een straf ondergaan voor specifieke, zeer ernstige feiten (o.a. terrorisme-gerelateerde misdrijven, zedenmisdrijven, mensenhandel, misdrijven tegen de fysieke integriteit).
      • Veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.
      • Veroordeelden die worden opgevolgd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbank "Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces".
    • Vraag: Welke algemene voorwaarden gelden voor de veroordeelde tijdens de proeftijd van deze vervroegde invrijheidstelling?
    • Antwoord: De veroordeelde is onderworpen aan de volgende algemene voorwaarden:

1.                  Geen strafbare feiten plegen.

2.                  Een opvangadres blijven hebben, en bij wijziging onmiddellijk zijn nieuwe verblijfplaats aan de directeur meedelen. Als het een veroordeelde zonder verblijfsrecht betreft, moet deze het grondgebied effectief verlaten binnen de termijn van de Dienst Vreemdelingenzaken en mag hij tijdens de proeftijd niet terugkeren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving.

    • Vraag: Hoe lang is de proeftijd?
    • Antwoord: De proeftijd is gelijk aan de duur van het nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen op het moment van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking".
    • Vraag: Wie wordt geïnformeerd over de toekenning van deze vroegtijdige vrijlating?
    • Antwoord: De directeur deelt de beslissing mee aan de veroordeelde zelf, het slachtoffer (zo snel mogelijk, in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel) en aan de volgende autoriteiten en instanties:
      • De korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zijn opvangadres heeft.
      • De nationale gegevensbank van de politie.
      • De procureur des Konings van het arrondissement waar de veroordeelde zijn opvangadres heeft.
      • Het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank (indien de strafuitvoeringsrechtbank reeds betrokken is).
      • De bevoegde dienst van de gemeenschappen die bevoegd is voor de begeleiding van beperkte detentie (indien van toepassing).
      • De Dienst Vreemdelingenzaken (indien de beslissing betrekking heeft op een veroordeelde zonder verblijfsrecht).
    • Vraag: Wanneer kan deze vervroegde invrijheidstelling worden herroepen?
    • Antwoord: De directeur kan de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" herroepen in de volgende gevallen:

1.                  Wanneer bij een definitieve beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde een misdrijf heeft gepleegd tijdens de proeftijd.

2.                  Wegens niet-naleving van de algemene voorwaarde over het opvangadres/grondgebied verlaten.

3.                  Na een voorlopige aanhouding die is bevolen door de procureur des Konings. Als de maatregel wordt herroepen, wordt de periode van vervroegde vrijlating afgetrokken van het resterende deel van de straf, en kan de maatregel niet opnieuw worden toegekend.

    • Vraag: Hoe verloopt de herroeping en wie wordt geïnformeerd?
    • Antwoord: De directeur brengt de beslissing tot herroeping zo snel mogelijk ter kennis van de veroordeelde, het slachtoffer (zo snel mogelijk, in elk geval binnen vierentwintig uur) en alle autoriteiten en instanties aan wie de beslissing tot toekenning eerder werd meegedeeld.
    • Vraag: Wanneer eindigt de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" automatisch?
    • Antwoord: Deze eindigt van rechtswege in de volgende gevallen:

1.                  Als bij de veroordeelde zonder verblijfsrecht een niet-naleving van de voorwaarde om het grondgebied te verlaten, wordt vastgesteld. In dit geval wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.

2.                  Als de veroordeelde opnieuw wordt opgesloten. De directeur informeert de veroordeelde, het slachtoffer en alle relevante autoriteiten en instanties hierover.

  • Artikel 37
    • Vraag: Hoe lang blijft deze specifieke "overbevolkingsmaatregel" van kracht?
    • Antwoord: Dit hoofdstuk (de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking") is van toepassing tot 31 december 2026.
    • Vraag: Kan deze datum nog wijzigen?
    • Antwoord: Ja, de Koning kan deze datum vervroegen, na overleg in de Ministerraad.
  • Artikel 38
    • Vraag: Wat is de nieuwe principiële regel over elektronisch toezicht en de verblijfplaats van het slachtoffer?
    • Antwoord: Voor veroordeelden die een straf ondergaan voor bepaalde zeer ernstige misdrijven (specifieke artikelen uit het Strafwetboek, zoals zedenfeiten, mensenhandel) of voor feiten gepleegd in een context van intrafamiliaal geweld, kan elektronisch toezicht niet worden toegekend als het slachtoffer verblijft op de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden uitgevoerd.
    • Vraag: Zijn er uitzonderingen op deze principiële regel?
    • Antwoord: Ja, de strafuitvoeringsrechter kan dergelijk elektronisch toezicht uitzonderlijk toch toekennen, maar dan moet de beslissing uitgebreid gemotiveerd zijn met bijzondere redenen die duidelijk aangeven waarom de uitvoering van het elektronisch toezicht op het adres waar het slachtoffer verblijft geen gevaar voor het slachtoffer met zich meebrengt.
  • Artikel 39
    • Vraag: Wat voegt dit artikel toe met betrekking tot elektronisch toezicht en slachtoffers?
    • Antwoord: Dit artikel voegt een soortgelijke bepaling toe als artikel 38, maar het betreft de rol van de strafuitvoeringsrechtbank (in plaats van alleen de rechter). De inhoud is hetzelfde: elektronisch toezicht is principieel niet mogelijk op de verblijfplaats van het slachtoffer bij bepaalde misdrijven, tenzij uitzonderlijk en met speciale redenen gemotiveerd dat er geen gevaar is voor het slachtoffer.
  • Artikel 40
    • Vraag: Hoe worden verzoeken die al liepen bij de inwerkingtreding van deze wet behandeld (overgangsbepaling)?
    • Antwoord: Met uitzondering van verzoeken waarvoor een gespecialiseerd advies nodig is, worden alle lopende verzoeken tot toekenning van een beperkte detentie, elektronisch toezicht, voorwaardelijke invrijheidstelling of voorlopige invrijheidstelling (met oog op verwijdering/overlevering) behandeld volgens de nieuwe regels die door deze wet zijn ingevoegd (artikelen 98/6 tot 98/26 van de wet van 17 mei 2006).
    • Vraag: Wat gebeurt er met veroordeelden die al een automatische opschorting van hun straf hadden?
    • Antwoord: Zij blijven genieten van die opschorting. Voor hen zal de directeur een advies uitbrengen volgens de nieuwe regels (specifieke delen van artikel 98/16), uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
    • Vraag: Zijn er uitzonderingen op deze overgangsregel?
    • Antwoord: Ja, verzoeken waarbij al een datum van uitspraak was vastgesteld op het moment van inwerkingtreding, of verzoeken die opnieuw moeten worden beoordeeld na een vernietiging door het Hof van Cassatie, worden volgens de oude regels (artikelen 21 tot 46 van de wet van 17 mei 2006) behandeld.
  • Artikel 41
    • Vraag: Wat gebeurt er met veroordeelden zonder verblijfsrecht die nog geen lopend verzoek hadden voor een voorlopige invrijheidstelling?
    • Antwoord: In gevallen waar, bij de inwerkingtreding van deze wet, een veroordeelde zonder verblijfsrecht bijna (zes maanden na) een derde van zijn straf heeft ondergaan en er nog geen verzoek tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied loopt, moet de directeur ambtshalve (uit zichzelf) een advies opstellen. Dit gebeurt na ontvangst van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken over de verblijfstoestand en de verwijderingsmodaliteiten van de veroordeelde, en uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
  • Artikel 42
    • Vraag: Hoe moeten verwijzingen naar strafuitvoeringsmodaliteiten worden geïnterpreteerd zolang deze wet geldig is?
    • Antwoord: Tijdens de geldigheidsduur van deze wet moeten alle verwijzingen in de wet van 17 mei 2006 en de wet van 29 juni 2021 naar de "oude" strafuitvoeringsmodaliteiten (die in Titel V van de wet van 17 mei 2006 stonden) ook worden gelezen als een verwijzing naar de "nieuwe" tijdelijke strafuitvoeringsmodaliteiten die in Titel XIIquater van de wet van 17 mei 2006 zijn ingevoegd (door deze wet). Dit zorgt ervoor dat de wet correct wordt toegepast tijdens de periode dat de tijdelijke maatregelen van kracht zijn.
  • Artikel 43
    • Vraag: Wat is de ingangsdatum van deze wet (de Wet van 18 juli 2025 over gevangenisoverbevolking)?
    • Antwoord: Deze wet treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.